Karel Doorman en het nadeel van de twijfel
Recensie: 'De Javazee campagnes van schout-bij-nacht Karel Doorman' (2024)
Waardoor verloren de Geallieerden op 27 februari 1942 de Slag in de Javazee? Dat kwam ‘goeddeels’ door eskadercommandant Karel Doorman, wiens ‘falend leiderschap’ voor ‘diverse missers’ zorgde.[i] Dat concluderen Rob Enthoven en Peter C. Boer in hun boekje De Javazee-campagnes van schout-bij-nacht Karel Doorman. Het is een oordeel dat kenners van het werk van Enthoven en Boer niet zal verbazen: al jaren strijden zij tegen de heldenstatus die de eskadercommandant volgens hen ten onrechte heeft. De meest vergaande verwoording hiervan is te vinden in een ingezonden brief van Enthoven in De Volkskrant: ‘Het heldendom van Doorman is verzonnen door de Koninklijke Marine, met behulp van gerenommeerde historici zoals dr. Ph.M. Bosscher.’[ii] De eskadercommandant was ‘fout’ geweest, stelt Enthoven; niet alleen volgens de huidige normen, maar ook binnen de context van de Tweede Wereldoorlog.[iii] Tijd dus om de straatnaambordjes te verhangen.
De botte bijl – impliceren dat Doorman fout was in de oorlog – is een ineffectief instrument om aan de wortel van iemands reputatie te leggen. In hun nieuwe werkje gaan de auteurs dan ook minder ver. Zo geven zij toe dat ‘een historicus […] een veel beter en completer overzicht heeft over hetgebeuren [sic] dan eskadercommandant Doorman destijds’. Deze ‘had over de omvang van de samenstelling [sic] van de Japanse transportvloot en eskaders aanzienlijk minder informatie dan thans bekend is.’[iv] En: ‘Ook andere geallieerde en Japanse commandanten maakten grote fouten’.[v] Het zijn open deuren, maar ze voorzien een benauwde opvatting wel van wat frisse lucht. In een afsluitend fotobijschrift lijken Enthoven en Boer zelfs even een welwillende houding ten aanzien van de schout-bij-nacht aan te nemen: ‘Men kan verschillend denken over het tactisch beleid van Doorman als eskadercommandant tijdens de Slag in de Javazee, maar men mag niet vergeten dat hij, samen met vele Nederlandse en geallieerde lotgenoten, in de strijd tegen de gemeenschappelijke vijand is omgekomen.’[vi] Het is bij oppervlakkige lezing een royale bewering, maar wie nauwkeuriger kijkt vindt een inhoudsloos compliment, waarin het eerste deel van de bewering (‘er zijn verschillende visies mogelijk op Doormans handelen’) geen enkele relatie heeft met het tweede deel (‘Doorman is gesneuveld’). Dat de zin waardering lijkt uit te spreken, komt door het zinsdeel waarmee de auteurs beide mededelingen aan elkaar koppelen: ‘maar men mag niet vergeten’. Het is een formulering die associaties oproept met het ‘opdat wij niet vergeten’ van oorlogsmonumenten en herdenkingen, maar in dit geval niet meer betekent dan ‘maar het is wel zo dat’. Is het een bewuste poging tot vriendelijke nietszeggendheid? Of is het een kwestie van slordig schrijven? Gezien de diverse onnavolgbare formuleringen in de boektekst vermoed ik het laatste. Ik volsta met één voorbeeld: ‘De potentiële kracht van het geallieerde eskader was voor een groot deel als gevolg van de mislukte acties van Doorman, die niets behalve materiële verliezen, uitputting van personeel en materieel en wantrouwen in de capaciteiten van de eskadercommandant hadden opgeleverd, in ernstige mate verminderd.’[vii] Een welgemikte komma had de zin niet eleganter, maar in ieder geval minder onbegrijpelijk gemaakt.
'Slordig formuleren hoeft niet het resultaat te zijn van slordig denken, maar het maakt een kritisch oordeel over die denkprocessen lastiger'
Is het flauw de auteurs op hun schrijfstijl aan te spreken? Slordig formuleren hoeft niet het resultaat te zijn van slordig denken, maar het maakt een kritisch oordeel over die denkprocessen lastiger. ‘Doorman zou dysenterie hebben, [noot in tekst] dit overigens gecombineerd met een overmatig drankgebruik’, schrijven zij bijvoorbeeld.[viii] Moet de lezer dit ‘zou’ over de komma heen tillen, zodat ook het tweede deel van de zin in het voorbehoud wordt meegenomen? Of geldt Doormans alcoholgebruik als een feit dat geen nuancering nodig heeft?[ix] Ofwel: slaat die noot halverwege de zin alleen op Doormans dysenterie? Dat zou, ook gezien het gebruik van de term ‘overigens’, het meest logisch zijn, maar in dat geval ontbreekt iedere onderbouwing van de tweede helft van de bewering: daar wordt geen bron genoemd, evenmin als elders in het boek. Dat is van belang, omdat deze aanname in de conclusies losjes wordt verbreed tot: ‘Hij had ook een drankprobleem.’; een argument dat dan geldt als een van de oorzaken voor de ondergang van de geallieerde vloot.[x] Is ‘overmatig drankgebruik’ hetzelfde als een drankprobleem? En hoe moeten we dit drankgebruik zien binnen de bredere Marine-cultuur van die tijd – laat staan binnen de specifieke context van een zich aftekenende nederlaag? Het benoemde probleem is hier een majeure interpretatie, die tot een (letterlijk) onverantwoord oordeel leidt.
Een andere verklaring die de auteurs geven voor Doormans ‘diverse missers’ als eskadercommandant is dat hij geen interesse had in ontwikkelingen op het gebied van maritieme tactiek: ‘In plaats van vakliteratuur las hij liever fictie, bijvoorbeeld over de Engelse gentry, het milieu waar hij zich zo bij thuis voelde.’[xi] De bron voor deze bewering blijkt verrassend genoeg A. van Kampens hagiografische Ik val aan, volgt mij (1947), dat een belangrijke bijdrage leverde aan Doormans naoorlogse heldenstatus; het gegeven dus waartegen Enthoven en Boer zich zo verzetten. Van Kampen schrijft dan ook iets heel anders dan de auteurs stellen: ‘Kolonel Doorman las in de uren dat hij niet op post hoefde te zijn, zijn boeken over zee-tactiek en strategie. Hij las Woodhouse daartussendoor en de laatste Franse romans.’[xii] Volgens Van Kampen las Doorman romans naast zijn vakliteratuur. Enthoven en Boer maken daarvan dat hij romans las in plaats van vakliteratuur. De fout is zo evident dat het wel om een vergissing moet gaan. Maar de mededeling draagt wel bij aan het door de auteurs neergezette beeld van een aanvoerder die het behalve aan deskundigheid ook aan betrokkenheid ontbreekt.
Omdat het een interessant voorbeeld is van het bronnengebruik van de auteurs, kom ik, met enige tegenzin, terug op het thema alcohol. In een eerder artikel geven de auteurs namelijk wel degelijk enkele bronnen voor Doormans veronderstelde drankgebruik.[xiii] De voornaamste is te vinden in het archief van A.N. Baron de Vos van Steenwijk, een belangrijke sparringpartner van Bosscher bij het schrijven van diens standaardwerk over de Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog. Hierover schrijft Enthoven in eergenoemde Volkskrant-brief: ‘Aantoonbaar is daarbij ook getracht om bronnen, zoals een briefwisseling tussen oud-commandant van de Zeemacht baron De Vos van Steenwijk met [sic] Bosscher, op te schonen. Ik heb die, zoals vele andere bronnen, echter gevonden.’[xiv] Hij is de enige niet, want de brieven zijn gemakkelijk in te zien bij Collectie Overijssel in Zwolle. Voor de auteurs is De Vos van Steenwijk (DVS) een belangrijke getuige à charge in de zaak-Doorman. Dat is begrijpelijk, want deze is op een belangrijk punt uiterst kritisch over het optreden van de eskadercommandant.[xv] Maar hier gaat het om iets anders. DVS had in 1979 een gesprek met Angelika Crommelin, weduwe van Doormans adjudant, A.F. Baron van Tuyll van Serooskerken. Gebaseerd op zijn verslag van dit gesprek schrijven de auteurs in Mars et Historia: ‘Volgens De Vos van Steenwijk en Isabella [Heyligers] had Doorman een drankprobleem.’[xvi] Dit klopt niet: DVS zegt hier niets over;[xvii] hij noteerde slechts wat zijn gespreksgenoot zei. Mevrouw Crommelin had in de aanloop naar de Japanse invasie Doormans tweede echtgenote Isabella Heyligers gezelschap moeten houden, ‘hetgeen ze met tegenzin deed. Isa sloeg rauwe taal uit, sprak over “de tank” en “als hij in de sloot rolt, komt hij niet meer boven.”’, schrijft DVS.[xviii] Enthoven en Boer maken hiervan: ‘Isabella zou tegen Angelika rauwe taal hebben uitgeslagen over Doorman, noemde Doorman de tank en zou gezegd hebben dat als “hij in een sloot rolt, hij niet meer boven komt.”’[xix] Maar zo staat het er niet. Het oorspronkelijke citaat suggereert dat Heyligers’ ‘rauwe taal’ zich niet tot het onderwerp Doorman beperkte, waarmee dit inkijkje meer zegt over hoe Crommelin over Doormans echtgenote dacht dan over Doorman zelf.
'De botte bijl is een ineffectief instrument om aan de wortel van iemands reputatie te leggen'
Waar Enthoven en Boer het nodige ontlenen aan wat in deze korte notitie wordt gezegd over Doormans persoonlijke situatie,[xx] daar negeren ze nogal wat informatie die militair-historisch relevanter is. Zo benadrukken zij in hun boekje dat Doorman vlak voor de slag in de Javazee ‘in feite […] onder curatele’ werd gesteld door zijn meerdere, viceadmiraal Helfrich.[xxi] Dat is op basis van het door hen ingezette archiefmateriaal een verdedigbare conclusie. Maar er ontstaat een rijker beeld als we daarin meenemen dat, zoals Crommelin aan DVS vertelde, Doorman al begin februari 1942 boos was op Helfrich en bij een van hun gesprekken ‘met zijn vuist op tafel geslagen’ had omdat hij ‘niet meer vrijheid van handelen kreeg’.[xxii] Nog steeds kan dan verdedigd worden dat Helfrich zo zijn twijfels had over de inzetbaarheid van de schout-bij-nacht. Hier zien we echter ook Doormans positie: in deze verhaalversie is hij gefrustreerd omdat zijn baas hem niet de ruimte geeft om zijn werk goed te doen.
In dezelfde notitie is ook een invulling van Doormans laatste uren te vinden. Vanouds werd vrij algemeen aangenomen dat Doorman met zijn vlaggenschip ten onder is gegaan. Enthoven en Boer hebben daarentegen, niet zonder onderbouwing, de theorie uitgedragen dat de eskadercommandant wel degelijk van boord ging en op een reddingsvlot is gestorven, [xxiii] met als bizarre implicatie dat er in dat geval geen sprake kan zijn geweest van een heldendood. De notitie van DVS past binnen de canonieke verhaalversie, maar biedt opmerkelijke details. De staf kwam bijeen in de longroom, valt in deze aantekeningen te lezen: ‘De Ned. Vlag werd over de tafel gespreid en D. liet champagne opentrekken. Er werd een dronk uitgebracht. Toen is er een gaan bidden (note: dat moet van Tuyll zijn geweest). De hofmeester is weggestuurd om zich te redden.’[xxiv] Ook het bekende verhaal dat Doorman en zijn adjudant nog een ronde over het schip hebben gemaakt en zich om de gewonden hebben bekommerd, komt in deze aantekeningen voor, ditmaal met de wel heel specifieke toevoeging dat ze ‘de blauwe flashlight’ bij zich hadden.[xxv] Is het allemaal precies zo gegaan? We weten het niet. Het gaat hier, zoals bij zoveel herinneringen aan de Slag in de Javazee, om waarnemingen uit de derde of zelfs vierde hand. Maar wie een reconstructie van Doormans levenseinde wil maken, kan niet om een duiding van deze verhaalversie heen. Enthoven en Boer kunnen dat wel. Ze moeten wel. De informatie past niet in hun doelredenering.
Interessant is dat Bosscher, wiens geschiedschrijving volgens Enthoven en Boer zoveel heeft bijgedragen aan Doormans heldenaura, genoemde aantekeningen, die hem door DVS ter beschikking waren gesteld, slechts als ‘zeer waardevolle achtergrondinformatie’ beschouwt. Hij schrijft aan DVS: ‘Overigens zult U het mij met mij eens zijn dat ik die [informatie], als “officieel” geschiedschrijver van de Koninklijke marine, met de nodige discretie moet gebruiken: niet meer dan voor een goed begrip van beleid en operatiën noodzakelijk is, verder de mantel der liefde (wat in dit geval gelukkig wezenlijk iets anders is dan de doofpot).’[xxvi] Hij laat dus de onflatteuze opinies over Doormans persoonlijke omstandigheden weg, maar maakt ook niet optimaal gebruik van de mogelijkheden die het verhaal over Doormans einde biedt. In de hoofdtekst van zijn boek is slechts de wat droge formulering te vinden dat het ‘zeer waarschijnlijk [is] dat ook de Eskadercommandant, de commandant van Hr.Ms. De Ruyter en diverse andere officieren willens en wetens aan boord zijn gebleven.’[xxvii] Een kans om hun beslissing met sprekende details te accentueren laat Bosscher dus bewust liggen.
'Vanuit een geschiedopvatting waarin niets toevallig gebeurt, plaatsen ze Doorman steeds opnieuw in het onbarmhartige licht van de zekerheid'
Enthoven en Boer hebben de afgelopen decennia interessante bronnen (her)ontdekt; vondsten die bijdragen aan een completer beeld van de strijd in de Javazee en de latere duiding ervan. Het punt is dat dit de auteurs niet lijkt te interesseren. Liever dan een bestaand corps van verhalen van niet onbelangrijke nieuwe accenten te voorzien, zetten ze een ander verhaal neer, waarin een blunderende en bange schout-bij-nacht door de manipulaties van derden met terugwerkende kracht een held wordt. Ze gaan daarbij voorbij aan grote delen van de bestaande historiografie, overtuigd als ze zijn dat deze op dubieuze gronden tot stand is gekomen. Maar zo werkt het niet: ook bronnen die het eigen uitgangspunt niet ondersteunen verdienen beargumenteerde overweging. En wie de integriteit van andere onderzoekers en hun opdrachtgevers in twijfel trekt, mag ook kritisch kijken naar de eigen motivatie. Waarom is het voor deze auteurs zo belangrijk dat Doorman geen held is?
Geschiedschrijving betekent, in de mooie woorden van A.Th. van Deursen, recht doen aan gestorvenen. Enthoven en Boer komen daar in hun oordeel over Doormans leven en sterven niet aan toe, in dit boekje net zomin als in de publicaties die eraan ten grondslag liggen. Vanuit een geschiedopvatting waarin niets toevallig gebeurt, plaatsen ze Doorman steeds opnieuw in het onbarmhartige licht van de zekerheid. Ze geven hem een drankprobleem. Ze stellen dat hij onder curatele stond, maar maken hem tegelijkertijd persoonlijk verantwoordelijk voor bijna alles wat misging. Ze ontzeggen hem engagement en vakkennis, en duiden zijn behoedzaamheid eenzijdig als angst. Ze geven hem het nadeel van de twijfel.
Auteurs: R. Enthoven & P.C. Boer
Uitgever: Van Soeren & Co, Amsterdam (2024)
Omvang: 104 blz
Prijs: € 24,00
ISBN: 9789068811575
C.C. (Caspar) Dullemond MA is zelfstandig tekstschrijver en historicus te Zwolle. Als buitenpromovendus aan de Universiteit Leiden onderzoekt hij de plek van Nederland en andere ‘kleine’ bondgenoten binnen de Britse propaganda in de Tweede Wereldoorlog. Eerder publiceerde hij over vroege beeldvorming van de Slag in de Javazee.
Noten
[i] R. Enthoven en P.C. Boer, De Javazee-campagnes van schout-bij-nacht Karel Doorman (Amsterdam 2024), 77.
[ii] R. Enthoven, ‘Doorman was helemaal geen zeeheld’, De Volkskrant, 29-1-2022.
(volkskrant.nl/columns-opinie/karel-doorman-was-helemaal-geen-zeeheld~b6971f42/).
[iii] Ibidem.
[iv] De Javazee-campagnes, 80.
[v] Ibidem, 81.
[vi] Ibidem, 82.
[vii] Ibidem, 50.
[viii] Ibidem, 52.
[ix] Die voorzichtig ogende maar juist daardoor suggestieve werkwoordsvorm ‘zou’ heeft een functie: het geeft aan dat een feit niet afdoende kan worden bevestigd. Maar dan mag zo’n bewering later natuurlijk niet ongemerkt tot feit worden bevorderd. Sowieso begeven de auteurs zich nogal eens in de ondiepe wateren van de achterklap. Doorman ‘zou’ voorafgaand aan de slag ‘een bevriende marineofficier huilend gebeld hebben dat hij niet wilde uitvaren.’ (Ibidem, 57). Doorman had persoonlijke problemen, want zijn veel jongere echtgenote ‘zou in opspraak zijn gekomen’ (Ibidem, 52) vanwege een affaire. Ook de binnen de lijn van hun verhaal volslagen overbodige bewering dat bij de Marinestaf in de jaren 1980 ‘niet voor niets veelvuldig de grap “En dan verloor hij weer een schip” over Karel Doorman werd gedebiteerd’ (Ibidem, 50) valt in deze categorie.
[x] Ibidem, 77.
[xi] Ibidem, 70.
[xii] A. van Kampen, Ik val aan volgt mij (Amsterdam 1947), 73.
[xiii] R. Enthoven en P.C. Boer, ‘De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk?’, Mars et Historia, 55, 2021, 2 (24-32), 31.
[xiv] De Volkskrant, 29-1-2022.
[xv] De kritische opstelling van DVS jegens Doorman heeft betrekking op de actie in de Straat Badoeng van 19 en 20 februari 1942, en draait vooral om de vraag waarom Doorman niet liet vuren op de vijand (Collectie Overijssel, Familiearchief De Vos van Steenwijk 0251.1.560, o.a. brief DVS aan Bosscher, 22-7-1985). Over Doormans optreden in bredere zin is DVS, die zelf toentertijd diende aan boord van Hr.Ms. Tromp, niet negatief. Zo schrijft hij in een latere brief zich van ‘gebrek aan vertrouwen in de leiding’ niets te herinneren, vergelijkt hij de Slag in de Javazee met de ‘charge of the Light Brigade’ en eindigt hij met een regel uit Alfred Tennyson’s gelijknamige gedicht: ‘Honour the charge they made!’ (brief DVS aan Bosscher, 19-1-1986). Nog later complimenteert hij Bosscher met diens ‘hoogst kundige en uitgebreide verslag over drie met bloed doordrenkte maanden’. Bosschers hoofdstuk over de periode 20 februari tot 1 maart 1942 typeert hij als een ‘droevig verhaal (…) dat de image van onze marine geen goed zal doen’. Als enig voorbeeld daarbij noemt hij het verhaal van het tot zinken brengen van (de niet bij de slag in de Javazee betrokken) Hr.Ms. Evertsen: ‘Is het niet om doodziek van te worden?’ (brief DVS aan Bosscher, 17-3-1986). Ik concludeer hieruit dat DVS over het algemeen Bosschers analyse deelt en deze ook als kritischer beoordeelt dan Enthoven en Boer voorgeven.
[xvi] Enthoven en Boer, ‘Benoeming’, 31.
[xvii] Enthoven en Boer gebruiken als bron de brief van DVS aan Bosscher, 18-4-1985. Daarin wordt niets gezegd over (een) drank(probleem). In zijn andere brieven ook niet trouwens.
[xviii] Collectie Overijssel, 0251.1.560, DVS. ‘Gesprek met Angelika 13-6-1979’.
[xix] Enthoven en Boer, ‘Benoeming’, 31.
[xx] Aan de meest volledige beschrijving van Doormans fysieke toestand in deze notitie gaan de auteurs opvallend genoeg voorbij: ‘Doorman was ziek, had amoebe-dysenterie, dronk te veel, zag groen.’ (DVS. ‘Gesprek met Angelika 13-6-1979’).
[xxi] De Javazee-campagnes, 52 en 54.
[xxii] DVS. ‘Gesprek met Angelika 13-6-1979’.
[xxiii] R. Enthoven en P.C. Boer, ‘Heldendood Karel Doorman een mythe’, Mars et Historia, 54, 2020 (4-12), 4. In zijn beknopte brief in De Volkskrant benadrukt Enthoven dit punt, zonder enige nuancering, zelfs twee keer. In het hier besproken boekje formuleren de auteurs het minder absoluut: ‘Doorman zelf is hoogstwaarschijnlijk op een reddingsvlot […] gestorven.’ (De Javazee-campagnes, 77.)
[xxiv] DVS. ‘Gesprek met Angelika 13-6-1979’.
[xxv] Ibidem.
[xxvi] Brief Bosscher aan DVS, 29-4-1985. Dat DVS Bosschers keuze voor terughoudendheid deelt, vermelden de auteurs niet. DVS schrijft: ‘[Ik] ben het met je eens dat je een relaas als dat van mevrouw Crommelin, weduwe van Tuyll, met veel discretie moet gebruiken. Ook ik heb het beschouwd als niet onbelangrijke achtergrondinformatie.’ (brief DVS aan Bosscher, 10-5-1985). DVS en Bosscher zijn het in hun collegiale, hier en daar zelfs hartelijke brieven over veel zaken eens. Zie ook noot 16.
[xxvii] Ph.M. Bosscher, De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog, deel 2 (Franeker 1986), 291. In de onderliggende noot 397 geeft hij iets meer details, maar put ook daarbij niet uit het door mevrouw Crommelin geschetste sfeerbeeld.
Gerelateerd
Tanker War in de Golf
De Perzische Golf staat sinds februari van dit jaar weer volop in de belangstelling. Iraanse, maar ook Amerikaanse aanvallen op…
Angst als belangrijkste drijfveer
De geschiedenis wijst uit dat zelfs een arm land als Noord-Korea een bom kan verwerven als het daartoe vastbesloten is. 'Willen we het…
Vlootontwikkeling als 'infinate game'
Voor (staf)officieren maar ook beleidsambtenaren en academici, die zich verdiepen in de ontwikkeling van strijdkrachten, bijkomende…

