Risicobereidheid klinkt inmiddels vertrouwd
Een verslag van de Johan de Witt Conferentie 2026
Door C.B. Naafs
Foto: Mediacentrum Defensie
Inleiding
Op de donderdag voorafgaand aan de Wereldhavendagen kwamen in Rotterdam vertegenwoordigers vanuit de Koninklijke Marine, de defensie-industrie, het MKB, kennisinstellingen en de politiek bijeen voor de jaarlijkse Johan de Witt Conferentie. Waar eerdere edities vooral gericht waren op het vergroten van bewustzijn over de veranderde geopolitieke realiteit, markeerde het treffen van 2026 een duidelijke verschuiving van bewustwording naar uitvoering. De centrale vraag luidde: hoe organiseren we wendbaarheid, innovatiekracht en leveringszekerheid zo, dat de marine klaar is voor het gevecht van de toekomst én de Nederlandse maritieme maakindustrie maximaal bijdraagt?
Onder leiding van dagvoorzitter Eva de Mol en met een openingswoord van Nathaly Boelhouwer vanuit het organiserend comité Pugno Pro Patria in Mare (P3M), werd het thema van de dag scherp neergezet: verbinding leggen en (vooral) versnellen. De redactie van het Marineblad was in Rotterdam aanwezig. Voorliggend schrijven behandelt de belangrijkste zaken uit het inspirerende programma.
De opgave voor de Koninklijke Marine
Vlootcommandant commandeur George Pastoor nam het woord voor een openingspresentatie, die de toon voor de rest van de middag goeddeels bepaalde. Pastoor schetste een wereld die in het niets lijkt op die van vijf jaar geleden. De internationale rechtsorde, zoals die decennialang het referentiekader vormde, is niet langer vanzelfsprekend. ‘Niemand heeft het meer over de rules-based international order’, stelde hij nuchter. ‘Het gaat er niet meer om je daartegen te verzetten, maar te accepteren dat dit de nieuwe werkelijkheid is.’ De huidige geopolitieke dreiging is in zijn ogen complex, multipolair en militair-hoogtechnologisch. Waarbij de dreiging zich sneller ontwikkelt dan de systemen waarmee de marine haar antwoord formuleert.
CDR George Pastoor (foto: MCD)
Geheel somber was Pastoors boodschap niet. Hoewel de vloot veroudert, beschikt het over systemen die nog altijd hun waarde tonen. Zo presteerde Hr.Ms. Evertsen recent goed in het Franse eskader, waarbij real time radardata direct kon worden gedeeld met Thales om systemen bij te sturen waar nodig. Dat is de toekomst: een hybride vloot waarin bemenste en onbemenste platformen samenwerken, met als doel de mens steeds verder uit de loop te halen. Aan de maritieme maakindustrie de schone taak daarop aan te haken: ‘Ik ben niet meer alleen een klant’, aldus de commandeur. De marine wil een partner zijn in de ontwikkeling van nieuwe capaciteiten. Niet slechts een afnemer aan het einde van een lang aanschafproces.
Real time radardata kon direct worden gedeeld met Thales om systemen bij te sturen waar nodig.
Strategische autonomie en het made in Europe-dilemma
Keynote-spreker Jeannette Baljeu, Europarlementariër namens VVD/Renew Europe, nem na de inleidende beschietingen van de vlootcommandant het publiek mee in de Europese dimensie van het vraagstuk. Met persoonlijke verbondenheid aan het maritieme cluster én het Marineblad – Baljeu is dochter van KLTZ b.d. Robert Baljeu –, sprak zij vanuit betrokkenheid en politiek realisme.
Baljeu ziet een Europees Parlement dat steeds meer moeite heeft zijn stabiele midden te bewaren. Christendemocraten vormen de grootste fractie, maar worden geconfronteerd met een groeiende rechterflank en een moeilijke economische context. Het draagvlak voor Oekraïne houdt voorlopig stand, maar de vraag voor hoe lang is reëel. Dat maakt het temeer urgent Europese defensieafspraken nu te verankeren, zolang er nog een meerderheid voor te vinden is. Een ruime meerderheid in de aula van het KPN-gebouw bleek bij een stellingname voorstander van meer samenwerking in Europees verband, alsook het versterken van de Europese industrie. Maar over het exclusief kopen binnen Europa – made in Europe – als harde eis waren de aanwezigen verdeeld. Dat weerspiegelt een reëel dilemma: strategische autonomie is wenselijk, maar de Europese defensie-industrie is op dit moment onvoldoende in staat om (tijdig) aan alle vraag te voldoen.
Jeannette Baljeu (foto: MCD)
Van het Europese BBP gaat 14 tot 16% om in openbare aanbestedingen, inclusief defensie. Hoe die stroom gerichter ten goede kan komen aan de eigen industrie, is een vraag die het komende begrotingsdebat (2028-2034) zal domineren. Een stevige discussie over Europese preferentie bij deze aanbestedingen (een dossier dat mede uit Franse pen stamt), is volgens Baljeu onvermijdelijk. Moet een percentage van dat Europese geld op het continent blijven? Voor welke sectoren geldt European preference meer dan andere? En wat betekent made in Europe dan precies? Het product, of ook de grondstof?
Made in Europe als harde eis liet de aanwezigen verdeeld.
In de nieuwe begroting zal het Europees Defensiefonds verdwijnen en opgaan in een breder competitiviteitsfonds. Reden voor sommigen om te pleiten voor een Europese DARPA als alternatief innovatiemechanisme. Voor Baljeu vooral een oproep aan Defensie om te bewijzen hoe zij middels ontwikkeling en innovatie van nieuwe systemen de Europese industrie als geheel gaan versterken. Denk daarbij aan gezamenlijke subsidieaanvragen, marktontwikkeling en het aanmeten van een rol als launching customer: ‘Innovatie moet slimmer in combinatie met de civiele markt. Het moet de Europese economie iets opleveren.’ Dat hierin ook een hardnekkige vergunningsproblematiek schuilt, werd door de Europarlementariër onderkent. Brussel kan en moet hierin beter.
Lessen uit Oekraïne
Een indringend betoog over de oorlog aan de Oostflank was afkomstig van Robert Serry, in voormalige rollen werkzaam als ambassadeur in Oekraïne, NAVO-crisismanager en speciaal gezant van de Verenigde Naties. Aan de hand van een aantal stellingen presenteerde de politicoloog een duidelijke satus quo in de Rusland-Oekraïne Oorlog waarbij drones en onbemenste systemen in alle operationele theaters het karakter van moderne oorlogvoering bepalen op een manier die niemand volledig heeft voorzien. Oekraïne groeide van wat hij omschreef als een 'bedelstaat' in 2022 naar een land ‘met kaarten in handen’ in 2026. Vooral dankzij een gedecentraliseerde oorlogsindustrie, die zó snel innoveert dat gesproken kan worden van een volksleger met industriële slagkracht.
Robert Serry (foto: MCD)
Serry stelde dat een sterk Oekraïne voor Europese vrede en veiligheid inmiddels wel belangrijker is dan Artikel 5 van het NAVO-verdrag. Tegelijkertijd waarschuwde hij dat Rusland al lange tijd een hybride oorlog tegen de NAVO voert en het Europese antwoord daarop onvoldoende is: ‘Komt Europa de belofte van steun zo lang als nodig werkelijk na? Of worden wij zelf de zwakste schakel?’ De auteur pleitte daarbij hard voor een pro-actievere houding van Europa in het leveren van wapens en materieel. Op tijd, zodat Kiev kans maakt de naderende winter – mogelijk haar zwaarste sinds februari 2022 – door te komen.
De relevantie voor de Koninklijke Marine was er ook. Moderne fregatten hebben zonder dronetechnologie zijn strategische waarde grotendeels verloren. De integratie van onbemenste systemen is geen keuze meer, maar een operationele noodzaak.
Paneldiscussie ‘Hoe boeken we samen sneller resultaat?
Het panelgesprek dat op de keynotes volgde had een open en eerlijk karakter. Panellid Ruben Kalisvaart, managing director bij De Haas Shipyards, zag zich als enige vertegenwoordiger vanuit de industrie plaatsnemen tegenover drie zwaargewichten van het Ministerie van Defensie: plv. Directeur Plannen, commandeur Ronald van Vuuren, senior beleidsadviseur financiering defensie-industrie Tessa Rodrigues en Hoofd Military Innovation by Doing van het Commando Materieel en IT Bonnie Drost.
Techniek van vandaag is morgen verouderd
Van Vuuren presenteerde een heldere probleemstelling: de noodzaak sneller te innoveren is onomstreden, maar de randvoorwaarden schieten tekort. Samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven is in theorie het uitgangspunt, maar in de praktijk moeizaam. De beleidsmatige kaders moeten soepeler. Niet alleen vanuit de overheid, maar ook vanuit het bedrijfsleven zelf: ‘Samen voorwaarts is in de praktijk niet makkelijk,’ erkende hij.
Van Vuuren: ‘Het uit de weg gaan van risico moet niet meer het uitgangspunt zijn’
De commandeur omschreef het aankoopkader van Defensie als een stappenplan met vier treden: meer van hetzelfde aanschaffen, kijken wat bondgenoten doen, werken met bewezen productiemodellen (COTS/MOTS), en het aanschaffen van nog te ontwikkelen producten. Het gaat daarbij niet om een prioriteitsvolgorde, maar om een afwegingskader dat helpt bepalen wanneer het nodig is een trede hoger te gaan. Concreet werkt CZSK aan aanvullingen op bestaande capaciteiten, zoals hard kill counter-UAS architectuur ter versterking van de luchtverdediging, soft kill-middelen en meer onbemenste systemen. Belangrijkste struikelblok is risicomijding in het aankoopbeleid. Van Vuuren: ‘Het uit de weg gaan van risico moet niet meer het uitgangspunt zijn.’ De commandeur erkende dat wapen- en sensorontwikkeling daarvoor eenvoudigweg te snel gaat.
CDR Ronald van Vuuren (foto: MCD)
Ruben Kalisvaart (foto: MCD)
Initatieven zijn goed, maar te complex
Kalisvaart legde op zijn beurt de vinger op een hardnekkige wond. Innovatiefondsen vanuit de overheid zijn weliswaar goedbedoeld, maar in de praktijk omgeven door een zware administratieve last. Veel ondernemers, met name startups, scale-ups en het MKB, kiezen er simpelweg voor daar niet aan te beginnen. ‘De initiatieven zijn hartstikke goed, maar als het zo complex is, dan blijven we liever bij onszelf.’
Kalisvaart: ‘Ondernemers hebben opdrachten nodig, commitment en financiering’
Hij wees ook op liquiditeitsproblemen. Sommige veelbelovende bedrijven dreigen ten onder te gaan. Niet omdat hun product tekortschiet, maar omdat de cashflow het niet redt in afwachting van overheidscontracten. Compliancedruk vormt daarbij een extra belemmering. Zijn recept: ‘Ondernemers hebben opdrachten nodig, commitment en financiering.’ Hij nuanceerde daarbij een vergelijking met Oekraïne, waar de urgentie van een geheel andere orde is: ‘Nederland zal nooit op dat niveau van improvisatie komen, tenzij wijzelf in oorlog zijn en er geen keuze meer is.’ De weg vooruit ligt in het draaien van pilotprojecten waarbij opdrachtgever en industrie naast elkaar staan en risico accepteren.
Veel geniale startups
Drost richtte de blik op het innovatietempo en de kloof tussen potentieel en praktijk. ‘Ik kom veel geniale startups tegen, die soms niet in de gaten hebben wat ze in handen hebben.’ Begrip en vertrouwen zijn daarom essentieel, juist daar valt nog veel te halen. Binnen COMMIT worden inmiddels meer challenges georganiseerd dan ooit. Een methode waarbij niet een product wordt afgenomen, maar een probleem uiteen wordt gezet en gezamenlijk verkend. Drost wees ook op het Actieplan Onbemenste Systemen, dat nadrukkelijk niet over de drone zelf gaat, maar over de ontwikkeling van onderliggende componenten. Een strategisch plan voor een domein dat zich in een razend tempo ontwikkelt. Commandeur Van Vuuren sprong bij: ‘Dat hangt niet af van het bestellen van grote batches, maar van continuïteit in de innovatieontwikkeling – en die moet structureel worden gefinancierd.’
Bonnie Drost (foto: MCD)
Tessa Rodrigues (foto: MCD)
Inzetten op datgene waar de industrie sterk in is
Rodrigues voegde zich, daags voordat haar afdeling het onderzoeksrapport ‘Met markt en macht opschalen: Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie’ publiceerde, in de discussie met vier lijnen waarlangs Nederland het verschil kan maken: een actievere overheid die de industrie eerder betrekt, een aantrekkelijker investeringslandschap, strategische positionering in Europese ketens en gerichte nationale productiecapaciteit. Rodrigues’ werk draait om hoe industrie sneller kan opschalen.
Rodrigues: ‘We mogen als Nederland best wat meer de Franse kant opgaan’
Ondanks stijgende defensie-uitgaven wordt relatief meer buiten Europa besteed dan voorheen. De behoefte aan snelle levering drijft orders naar leveranciers die al klaarstaan, en dat zijn vaak niet de Europese. Begrijpelijk op korte termijn, maar strategisch onhoudbaar. Opschalen zal op het continent moeten landen, wil Europa zijn (defensie-)industriële basis werkelijk versterken. Rodrigues pleit daarom voor herkomstgerichter inkopen: bewust inzetten op datgene waar de Nederlandse en Europese industrie sterk in is. Dat is niet alleen goed voor de leveringszekerheid, maar ook voor de exportpositie en de verdere ontwikkeling van de industrie: ‘We mogen als Nederland best wat meer de Franse kant opgaan,’ aldus Rodrigues in een knipoog naar de keynote van Baljeu.
Afsluiting: lessen van de KNRM
C-ZSK viceadmiraal Harold Liebregs sloot de conferentie af met een analogie over de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij. Een organisatie die al meer dan honderd jaar mensen redt op zee, uitsluitend met vrijwilligers en gesponsord geld. Zonder overheidssubsidie, zonder Europese aanbestedingen, zonder de ballast van bureaucratie: ‘Iets waar wij allemaal wat van kunnen leren.’ Zijn bredere boodschap was meer direct. Volgens hem doet de marine het goed en is het materieel goed, maar denken vanuit de dreiging moet het uitgangspunt zijn voor de toekomstige vloot. ‘De push om kort-cyclische innovatie is waardevol, maar kan niet de enige weg vooruit zijn’, maakte de admiraal duidelijk. Wat Nederland vandaag beslist, moet de oorlog van de toekomst kunnen winnen. Zijn vraag aan de aanwezigen was daarom: ‘Hoe draagt jouw oplossing bij aan het probleem waar ik voor sta?’.
Viceadmiraal Harold Liebregts (foto: MCD)
Conclusie
De Johan de Witt Conferentie 2026 symboliseerde een route van bewustwording naar uitvoering. Urgentie is breed gedeeld; het vocabulaire van versnelling, samenwerking en risicobereidheid klinkt inmiddels vertrouwd. Wat deze editie onderscheidde, was de bereidheid om ook de obstakels bij naam te noemen: een risico-averse aanbestedingscultuur, te complexe innovatiefondsen, gebrek aan langetermijncommitment aan de industrie en een ecosysteem dat nog lang niet de korte feedbackloop heeft die Oekraïne heeft bewezen. De vraag na afloop was evenwel vertrouwd: hoe zorgen we dat de conclusies van deze conferentie niet blijven steken in afdronken als voorliggende, maar daadwerkelijk landen in beleid, contracten en capaciteit?
C.B. (Bas) Naafs is hoofd- en eindredacteur Marineblad bij de Koninklijke Vereniging van Marineofficieren. Dit artikel verschijnt in het oktobernummer (30 september 2026).

