Matchmaker I, 1965
Opmaat naar staande NAVO-vlootverbanden
‘All ships had an enormous enthusiasm for the project. This established a capital of goodwill which paid a continuous dividend of cheerful pride in the squadron throughout its corporate existence. A new concept is bound to be more exciting than the humdrum normal, and this, coupled with a proper professional pride, ensured a 100 per cent output from each ship.’
Met deze woorden typeerde in 1965 een tevreden Captain Royal Navy D.V.M. Macleod, commandant van het zogeheten Matchmaker I-smaldeel, deze eerste poging om in vredestijd voor een langere periode te oefenen met een multinationale maritieme NAVO-taakgroep. [1]
Zestig jaar nadat deze voorloper van hedendaagse staande bondgenootschappelijke vlootverbanden zoals de Standing NATO Maritime Group 1 (SNMG1) het spits afbeet, en zeker nu per 9 januari commandeur Arjen Warnaar aan boord van het vlaggeschip Zr.Ms. Tromp het bevel voert over laatstgenoemd smaldeel,[2] lijkt het passend te reflecteren op de achtergronden van Matchmaker I. Dit artikel analyseert hiertoe allereerst vanuit een meer algemeen interoperabiliteit oogpunt alsmede historisch bezien, de opzet van dit smaldeel, alvorens de operaties van dit oefeneskader te belichten en de resultaten alsmede de toenmalige gevolgtrekkingen ervan te analyseren, en sluit af met een conclusie.
1940s-1950s: eerste stappen naar bondgenootschappelijke interoperabiliteit
Onduidelijk uitgegeven orders/berichten, onderscheidende doctrines en een algeheel gebrek aan inzicht in elkaars modus operandi, dragen bij bondgenootschappelijk marine-optreden grote, zo niet dramatische risico’s in zich.[3] De Slag in de Javazee is hiervan een voorbeeld. In februari 1942 probeerde aldaar een Naval Task Force van Nederlandse, Amerikaanse, Britse en Australische schepen onder schout-bij-nacht Karel Doorman vergeefs een Japanse invasiemacht te onderscheppen. In de daaropvolgende verloren zeeslag gingen vele geallieerde schepen ten onder zonder noemenswaardige vijandelijke verliezen. Weliswaar telden de bondgenootschappelijke kruisers over en weer (communicatie) liaisonofficieren, maar de korte tijd (zes weken) dat de multinationale vlootmacht gezamenlijk opereerde alsook gemis aan gezamenlijke oefeningen en doctrine, wogen – naast diverse vormen van Japanse overwicht – zwaar mee in deze geallieerde nederlaag.[4]
Het was geallieerde bevelhebbers hierna duidelijk dat zonder een samenhangend geheel aan reactie(s)/inzet, multinationale operaties te complex waren geworden, wat met zich meebracht dat betrokken eenheden wel grotere risico’s moesten nemen. Of, zoals de negentiende-eeuwse Pruisische militair strateeg Carl von Clausewitz het al duidde:
‘(…) with several independent actors involved in multinational decision making and implementation of strategies, command and control appears to be rather limited, while complexity and friction tend to be unlimited. Consequently, military alliances and coalitions face stronger problems of achieving consensus in strategy making than purely national systems.’[5]
Kortom, om (maritieme) coalitie-inzet succesvol te doen verlopen, diende deze zo min mogelijk neer te komen op geïmproviseerde actie. De Britse en Amerikaanse marineleidingen gingen vanaf medio 1942 dan ook toenemend samenwerken inzake het onderling elkaar structureel verstrekken van inlichtingen, het over en weer plaatsen van liaisonofficieren in elkaars staven, het uitwisselen van code- en seinboeken etc. Een aanpak die in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werd voortgezet, nu samen met de Canadese marine en tijdens bi- en triple oefeningen ruimhartig invulling zag.[6] De in maart 1948 opgerichte Westerse Unie, een louter West-Europese veiligheidsorganisatie, trok deze lijn door. In drie grote multinationale maritieme oefeningen tussen 1949-1951, kwam het eveneens tot uitwisseling van liaisonofficieren, tactieken en gegevens tussen vooral de Britse, Franse en Nederlandse marines, om zo de onderlinge interoperabiliteit enigszins in goede banen te leiden.[7]
‘Om (maritieme) coalitie-inzet succesvol te doen verlopen, diende deze zo min mogelijk neer te komen op geïmproviseerde actie’
De opzet van een multinationale NAVO-marinedoctrine en beveiligde gemeenschappelijke beveiligde gegevensuitwisseling zijn niet toevallig herleidbaar tot aanvang/medio jaren 1950, toen na de oprichting van de verdragsorganisatie in 1949 enige multinationale overeenkomsten, standardization agreements (STANAGs) genaamd, resulteerden in standaardprocedures voor schepen opererend in taakgroepen, evenals de bijkomende logistiek en communicatie op zee. Deze voortvarende bondgenootschappelijke aanpak was deels toe te schrijven aan het niet verloren willen laten gaan van in WOII opgedane positieve multinationale ervaringen, maar bovenal aan de toenmalige succesvolle inzet van een (merendeels) Gemenebest smaldeel in de Korea-oorlog (1950-1953). Hierin werkten oorlogsbodems uit Groot-Brittannië, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de VS èn Nederland, jarenlang nauw samen in gezamenlijke, steeds drie weken lange patrouilles. Bondgenootschappelijke collectieve richtlijnen, of STANAGs, zoals de in dit tijdsbestek opgestelde ATP 1 (Allied Maritime Tactical Instructions and Procedures) waren op dit multinationale Korea-optreden terug te voeren.[8]
De opstellers van deze doctrines waren er zich overigens van het begin af aan van bewust dat deze geenszins de soepele samenwerking van marine-eenheden in alle omstandigheden garandeerden. Multinationale richtlijnen konden bijvoorbeeld nationale voorbehouden niet vervangen en de directieven mochten natuurlijk nationale wetgevingen geenszins schenden. Het waren zaken die voorin alle belangrijke door de NAVO-marines gehanteerde handleidingen vermeld stonden (en staan!).[9] Daarbij was de staf van de aanvang 1952 in het Amerikaanse Norfolk aangestelde Supreme Allied Commander Atlantic (SACLANT) ervan doordrongen dat een doctrine bepaald geen Enkhuizer Almanak was en niet alle omstandigheden kon voorzien. Ervaring had geleerd dat bijvoorbeeld overbelaste junior officieren, technische storingen, verkeerd begrepen instructies of eigenwijze ondergeschikten, maar al te zeer afbreuk deden aan vooraf opgestelde plannen en richtlijnen, vooral gedurende snel veranderende operationele situaties met verspreide eenheden. Tel hier het multinationale element bij op en een keur aan problemen, geworteld in bovengenoemde zaken, was welhaast gegarandeerd. De jonge staf SACLANT, alsook de spoedig in het Britse Northwood zetelende staf Deputy Commander SACLANT/Commander Eastern Atlantic (EASTLANT), meenden/hoopten dan ook dat in eerste instantie raamwerken voor praktijkervaring als frequente grote oefeningen en multinationale vlootverbanden, soelaas boden om de onderlinge NAVO-samenwerking beter te doen verlopen.[10]
Raamwerk: (structureel) oefenen
Marines neigden er omstreeks 1950 toe bepaalde vaardigheden eerst in afzondering unilateraal onder de knie te krijgen om pas hierna het zelfvertrouwen te vergroten met deelname aan internationale, meer complexe oefeningen. De meest eenvoudige versie hiervan betrof individuele schepen die een passage exercise of PASSEX uitvoerden, waarbij twee vaartuigen op korte afstand met elkaar communiceerden (radio/Aldislamp) en bemanningen met elkaar vertrouwd konden raken. Vergelijkbaar met havenbezoeken, ondersteunde verder uitwisseling van personeel tussen landen, later bekend onder de duiding cross-pollination (CROSSPOL) hetzelfde doel, waardoor bemanningsleden van andere marines de kans kregen elkaar te leren kennen en begrijpen als collega-zeelieden. NAVO-samenwerking in optima forma![11]
Admiral Royal Navy Sir Charles E. Madden, pleitbezorger van Matchmaker (foto: Wikimedia)
De toenmalige bondgenootschappelijke NAVO-marineleiding meende dat grootschalige en divers opgezette oefeningen, waaronder bijvoorbeeld onderzeebootbestrijding, kustbombardementen en amfibische landingen, het vermogen van betrokken marines meer diepgaand zouden testen om samen te leren werken, mede dankzij een gemeenschappelijke doctrine (tactics, techniques en procedures). Deze manoeuvres dienden in de ogen van staf-SACLANT technische mismatches binnen multinationale eenheden aan het licht brengen, opdat deze taakgroepen, nadat de problemen waren aangepakt, meer samenhangend gingen opereren. Idealiter betrof het grootschalige, een tot twee weken durende combined maar ook joint oefeningen. De eerste grootschalige, tien dagen durende NAVO-exercitie in de Noord-Atlantische Oceaan, Mainbrace, vond daarom al kort na de opzet van het Allied Command Atlantic plaats: in september 1952. Deze manoeuvre, waaraan ruim tweehonderd schepen, duizend vliegtuigen en 80.000 militairen uit acht lidstaten deelnamen, trapte af met vele nog onopgeloste uitdagingen inzake operationele onderlinge communicatie en inlichtingen, alsook (deels) afwijkende doctrines en tactieken. De oefening was voor NAVO-commandanten, maar ook voor hele cohorten aan multinationale officieren een enorm leermoment. Mainbrace bleek bovendien zowel operationeel als politiek gezien een dusdanig succes, dat ze de basis vormde voor structureel terugkerende grote maritieme NAVO-manoeuvres tijdens de Koude Oorlog alsook daarna.[12]
Opwerken naar een langdurig oefenend NAVO-smaldeel
Al in 1960 opperde de Canadese afgevaardigde tijdens een NAVO Anti-Submarine Warfare (ASW-)symposium, te komen tot een meer structurele multinationale taakgroep voor onderzeebootbestrijding. Dit idee werd uiteindelijk opgepakt kort na SHAPEX 63, de jaarlijkse conferentie die werd gehouden op Supreme Headquarters Allied Powers Europe (SHAPE), toen nog gevestigd nabij Rocquencourt, Frankrijk. Op deze conferentie kwamen de Noord-Atlantische Raad, de stafchefs van de NAVO-landen, leden van de NAVO Standing Group, de belangrijkste NAVO-commandanten en hoge officieren van Allied Command Europe (ACE) bijeen voor overleg over de belangrijkste problemen van het bondgenootschap. Commander-in-Chief EASTLANT, Admiral Royal Navy Sir Charles Madden, stelde hierbij dat de geallieerde marines vanaf eind jaren vijftig weliswaar stappen hadden gezet in de richting van een NAVO-breed communicatiesysteem met de introductie van LINK11 (en het minder geavanceerde en goedkopere LINK10) alsmede goed aan de weg timmerden inzake algemene tactische doctrine, vooral betreffende ASW. Waar het gestandaardiseerde logistieke ondersteuning en meer langdurige samenwerking op zee aanging, was er zijns inziens evenwel voor de bondgenoten nog veel werk aan de winkel om te komen tot betere interoperabiliteit.[13]
‘In de Schotse wateren begon de gewenning tussen de diverse schepen en bemanningen’
In november 1963 was op hoog niveau met name de discussie over het laatstgenoemde in een dusdanige stroomversnelling geraakt, dat Madden aan SACLANT, Admiral USN Harold P. Smith, voorstelde als experiment een langdurige oefening te beleggen voor een kleine taakgroep van vier tot zes fregatten. Deze diende deel te nemen aan enige grotere bondgenootschappelijke oefeningen, een gezamenlijk trainingsprogramma te doorlopen en her en der in het Atlantisch theater de NAVO-vlag te tonen. Begin januari 1964 stuurde Smith het voorstel van de Brit ter goedkeuring naar een welwillende NATO Standing Group. Deze riep vervolgens lidstaten op oorlogsbodems voor dit tijdelijke multinationale smaldeel te leveren. Nederland, Canada, het VK en de VS zegden hierna al snel schepen toe, waarna SACLANT op 8 juni 1964 aan de voorziene langdurige oefening van dit smaldeel de naam Matchmaker meegaf.
In februari 1965 verzamelden de betrokken vaartuigen zich nabij Schotland voor de vijf maanden durende oefening, om hiermee onder meer inderdaad problemen bloot te leggen inzake afwijkende procedures, maar ook die van het (langdurig) gebruik maken van basis- en ondersteuningsfaciliteiten in verschillende landen. Het verdere doel van deze oefening was goodwill te tonen onder NAVO-landen en intern alsook extern (lees: Sovjet-Rusland) de kracht en eenheid van het bondgenootschap uit te dragen door deelname aan overige NAVO-manoeuvres en nationale oefeningen van lidstaten.[14]

Het Matchmaker I-smaldeel afgemeerd aan de Parkkade in Rotterdam, 10 mei 1965 (foto: collective NIMH)

Hr.Ms. Overijssel tijdens een BOZ (foto: collectie NIMH)

Vlaggeschip Matchmaker I HMS Leander is opengesteld voor bezoek, Rotterdam, 10 mei 1965 (foto: collectie NIMH)

Captain Royal Navy D.V.M. Macleod, CO van Matchmaker I (foto: Defence News, CAN)
Hr.Ms. Overijssel ‘ahead full’ tijdens Matchmaker I (foto: collectie NIMH)
Oefening Matchmaker I
Op 18 februari 1965 formeerde de NAVO-taakgroep Matchmaker zich te Rosyth. Bevelvoerend officier was Captain Royal Navy D.V.M. MacLeod aan boord van het fregat HMS Leander. De overige oorlogsschepen waren het Canadese HMCS Columbia, het USS Hammerberg en de Nederlandse onderzeebootjager Hr.Ms. Overijssel. KLTZ J. Fennema voerde het commando over het KM-vaartuig. In de Schotse wateren begon de gewenning tussen de diverse schepen en bemanningen. Vervolgens trapte de weapon training fase af van NAVO-oefening Pilot Light. De schepen oefenden overigens eerst individueel en met eigen nationale oorlogsbodems. Zo werkte de Overijssel samen met de carrier Hr.Ms. Karel Doorman en de bevoorrader Hr.Ms. Poolster, om pas hierna op te stomen in het Matchmaker-eskader. In navolgende dagen kwam het nabij de Britse kust tot een exercitie die in het teken stond van het tegengaan van onderwater sabotageacties, waarna bij Rosyth de weapon training werd hervat en de scheepsbemanningen briefings kregen over de tactische fase van Pilot Light.
Tijdens de oversteek van Schotland naar het Noorse Bergen, van 5 tot 10 maart, beschermde het Matchmaker-smaldeel in het kader van Pilot Light de Karel Doorman tegen onderzeebootaanvallen. Uiteraard was er ook aandacht voor de multinationale logistiek. Zo laadde Hr.Ms. Overijssel olie uit de Royal Fleet Auxiliaries Tideflow en Wave Prince, en vond er bevoorrading op zee (BOZ) plaats tussen de Poolster en Angelsaksische schepen.[15] Captain Macleod noteerde hierna tevreden: ‘By the end of PILOT LIGHT, the four ships formed a unit which was a squadron in spirit as well as in name’.[16] Nadat het smaldeel van Noorwegen naar Noord-Ierland voer, volgde te Londonderry een ASW Joint Tactical Course en werd deze theorie tussen 29 maart en 1 april in de praktijk beoefend. Het Matchmaker-eskader opereerde hierbij met Royal Navy onderzeeboten, waarbij onder meer de splinternieuwe SSN HMS Dreadnought als oefenvijand optrad. Ook volgden er schijnaanvallen door Britse en Canadese vliegtuigen.
Na de Britse wateren eind april te hebben verlaten, volgden havenbezoeken aan Kopenhagen, Rotterdam en Brest. Ten zuidwesten van Bretagne kwam het tot oefeningen met de Franse luchtstrijdkrachten en werden op het reistraject naar Lissabon vooral de onderlinge verbindingen getest. Na Portugal eind mei achter zich te hebben gelaten, staken de schepen van MacLeod de Atlantische Oceaan over en belandden in Halifax, Canada, voor een onderhoudsperiode van twee weken. Na een tussentijds geslaagd havenbezoek aan New York, volgde aanvang juli een BOZ door een Canadese tanker en startte oefening Pole Star. Acht dagen lang nam het NAVO-eskader, dat werd ingedeeld bij de USN Carrier Division 3, deel aan konvooi-escorte oefeningen met overige Amerikaanse, Britse en Canadese vlooteenheden. Deze manoeuvres kenden naar zeggen van KLTZ Fennema overigens ‘een eenvoudig karakter’. Aangekomen in Norfolk, volgde daar op 18 juli met veel ceremonieel de ontbinding van het Matchmaker-smaldeel.[17]
CO MacLeod stelde in zijn verslag dat er veel geleerd was gedurende de vijf maanden lange oefening. In de verschillende havens traden als ingeschat moeilijkheden op inzake bevoorrading met gespecialiseerde onderdelen. Een groter vraagstuk betrof evenwel aanvulling van bepaalde niet gestandaardiseerde munitie. ‘Little progress seems to have been made beyond national supply arrangements and recommendations have been made to attempt to improve this situation’, aldus de Schot. Hoewel alle schepen ervaring hadden met BOZ en deze hierdoor grotendeels naar wens verliep, maakten kleine verschillen, die aan het licht traden bij de nationale aanpak van dit type bevoorrading, wel dat meer dan eens ‘considerable ingenuity, first-class seamanship, and a lot of hard work’ noodzakelijk was. In de ogen van de Royal Navy officier zou uit deze gevallen van vergaande improvisatie blijken, dat sommige marines de betrokken ATP onvoldoende kenden of niet bekend waren met de laatste versie ervan. Ondanks voornoemde kritiek concludeerde MacLeod enthousiast dat:
‘The exercise provided a fascinating five months for every officer and enlisted man who took part in it. Much was learned from the logistic problems that arose under these circumstances. Five months of continuous operations with excellent training facilities allowed an unusually high standard of ASW proficiency to be achieved. The combination of four widely differing sets of equipment gave the squadron a unique tactical flexibility. Each ship started the exercise with the conviction that her own methods of operation were the best; each ship finished the exercise with a new respect for her colleagues and with a very much broader approach to common naval problems.’[18]
Reisroute Matchmaker met bijschrift: Reisroute Matchmaker I (Erik van Oosten, NIMH)
Opzet van een permanente Maritime Contingency Force: STANAVFORLANT
Het succes van Matchmaker I leidde in 1966 tot een tweede vijf maanden lange oefening met een dergelijk eskader, waar de KM wederom in participeerde: Matchmaker II. In januari 1967 kwam het bovendien tot de zeven maanden durende exercitie Matchmaker III onder bevel van de Nederlandse KTZ F. Visee.
Intussen zag staf-SACLANT zich geconfronteerd met ontwikkelingen die haar deden overwegen een omvangrijke Atlantic Maritime Contingency Force op te zetten. Deze ontwikkelingen betroffen vooral een snel in omvang en actieradius groeiende moderne Sovjet-Russische vloot, die vergaand de Sea Lines of Communications (SLOCs) op de Atlantische oceaan leek te bedreigen, alsook de opzet van de NAVO-strategie Flexible Response, die een meer op conventionele wapeninzet gebaseerde reactie op Sovjet-Russische agressie voorstond en zo het belang van overzeese versterkingen deed toenemen.[19] In november 1966 werd het concept voor een permanent Matchmaker-eskader en hiermee een Standing Naval Force Atlantic (STANAVFORLANT), verbonden met het voorstel voor een Atlantic Maritime Contingency Force. In tegenstelling tot Matchmaker riep dit concept dus op tot een staand vlootverband, dat eerder een operationele dan een oefentaakgroep inhield en zou dienen als één van de bouwstenen voor de voorziene Maritime Contingency Force.[20]
Rear Admiral USN R.G. Colbert, geestelijk vader van STANAVFORLANT (foto: US Naval Heritage and History Command)
Grootste pleitbezorger voor een STANAVFORLANT was Rear Admiral USN R.G. Colbert. Deze bekleedde de functies Deputy Chief of Staff en Assistant Chief of Staff for Policy, Plans, and Operations van SACLANT, Admiral USN Th.H. Moorer. Colbert, mogelijk niet toevallig een veteraan van de Slag in de Javazee, was een fervent promotor van samenwerking tussen NAVO-marines. In Norfolk wist hij al snel de handen op elkaar te krijgen voor een permanent Matchmaker-eskader. Met verdere steun van de Commander-in-Chief EASTLANT, Admiral Royal Navy Sir John B. Frewen, werd het voorstel ingediend bij het NATO Military Committee (MC). Op 9 mei 1967 ging dit gremium akkoord met Colberts concept. Nadat de defensieministeries van alle betrokken landen waren gepolst, diende SACLANT in november 1967 het definitieve voorstel in. Hierop kreeg dit in december groen licht tijdens een bijeenkomst van de North Atlantic Council.[21] De voorgestelde Maritime Contingency Force, waaraan de Standing Naval Force eerder gekoppeld was, werd voorlopig geparkeerd. Desondanks gingen er onmiddellijk richtlijnen uit voor het voorstel van de STANAVFORLANT, dat in januari 1968 werd ingericht met personeel en schepen die al waren toegewezen aan een Matchmaker IV-eskader.[22]
‘De smaldelen zijn door decennia permanent oefenen en opereren in multilateraal verband, en hiermee toenemende internationale standaardisatie, niet meer weg te denken als onderdelen van maritiem NAVO-optreden’
Standaardisatie was en is een begrip in de NAVO. Het vermogen effectief en efficiënt samen te werken dankzij STANAGs ligt aan de basis van het succes van de alliantie, en gaf en geeft het bondgenootschap slagkracht die verder gaat dan de som der delen. Omdat STANAVFORLANT meestal zowel moderne als oudere schepen telde, kende het duidelijke verschillen in standaarden. In de loop der decennia werden op dit vlak evenwel grote stappen gezet door tests met nieuwe procedures en schepen allemaal gingen opereren met geavanceerde data-LINK-procedures. Dit staande vlootverband, opgericht zonder al te grote kostenimplicaties, was en bleef gebaseerd op gelijkheid tussen de lidstaten, ongeacht de omvang van de betrokken marine. Deze insteek veranderde niet met de naamswijziging van STANAVFORLANT in SNMG1 in januari 2005, nu alweer twintig jaar geleden.
Conclusie
Elke alliantie, in verleden en heden, is onderhevig aan interne en externe spanningen. Matchmaker I en navolgende (permanente) navale NAVO-taakgroepen (naast STANAFORLANT/SNMG1 valt te denken aan Standing Naval Force Channel 1969/huidig SNMCMG1 en STANAVFORMED 1992/huidig SNMG2) maakten, dat deze taakgroepen uitgroeiden tot ware symbolen van eendrachtige bondgenootschappelijke maritieme macht, alsook speerpunten werden van geallieerde militaire interoperabiliteit. De smaldelen zijn door decennia permanent oefenen en opereren in multilateraal verband, en hiermee toenemende internationale standaardisatie, niet meer weg te denken als onderdelen van maritiem NAVO-optreden.
De door de Britse Admiral Madden ingestoken oefening Matchmaker, maar ook navolgende permanente maritieme NAVO-taakgroepen bleken een effectief instrument waardoor bondgenootschappelijke marines, van klein naar groot, welhaast routinematig geïntegreerd konden opereren. Vanaf voorjaar 1965 droegen deze gaandeweg in interoperabiliteit uitblinkende vlootverbanden (land- en luchtstrijdkrachten kennen dit fenomeen hoegenaamd niet) niet alleen bij aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke maritieme tactieken en begrip van het NAVO-bevelsapparaat, maar bieden ze stand-by taakgroepen voor onvoorziene gebeurtenissen in vredestijd of tijdens oplopende internationale spanningen zoals meer recentelijk in de Oostzee.[23]
Dr. A.J. (Anselm) van der Peet is senior wetenschappelijk onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag. De auteur dankt KTZ Yvonne van Beusekom voor haar commentaar op een eerdere versie van dit artikel.
Noten
[1] Captain Royal Navy D.V.M. Macleod, ‘139 Exercise Match Maker’, Professional Notes, Notebook and Progress, U.S. Naval Institute Proceedings Vol. 92/1 January (1966) https://www.usni.org/magazines/proceedings/1966/january/professional-notes-notebook-and-progress
[2] https://www.defensie.nl/actueel/nieuws/2025/01/04/zr.ms.-tromp
[3] J. Goldrick, ‘The Problems of Modern Naval History’, in: J.R. Hattendorf (ed.), Doing Naval History. Essays Toward Improvement (Annapolis MD, 2000) 79-80.
[4] Jeremy R. Cox, Rising sun, falling skies: the disastrous Java Sea campaign of World War II (Oxford, New York 2014)
[5] Geciteerd in: U. Hartmann, Carl von Clausewitz and the Making of Modern Strategy (Potsdam 2002) 99.
[6] Anselm van der Peet, ‘75 jaar NAVO Achtergronden van de eerste maritieme strategie van de verdragsorganisatie’, Marineblad 134, 3 (2024) 12-18.
[7] Anselm van der Peet, ‘Het vergeten Verdrag van Brussel: voortrekker van de NAVO en internationale leerschool voor de Koninklijke Marine’, Marineblad 128, 2 (2018) 28-32.
[8] John Hattendorf, Stan Weeks, ‘NATO’s Policeman on the Beat’, U.S. Naval Institute Proceedings, Vol. 114/9 September (1988) https://www.usni.org/magazines/proceedings/1988/september/natos-policeman-beat ; Anselm van der Peet, Out-of-area. De Koninklijke Marine en multinationale vlootoperaties 1945-2001 (Franeker 2016). Niet toevallig was Admiral Royal Navy Sir G.W. Andrewes, C-EASTLANT (1952-1953), eerder CO Commonwealth eskader bij Korea (1950-1951), een van de aanjagers van ATP 1.
[9] Multinational Maritime Tactical Instructions and Procedures, V-VI.
[10] Zie voor een verdere kijk hierop onder meer: C.S. Gray, ‘History for strategists: British Seapower as a relevant past’, Journal of Strategic Studies, Volume 17, Issue 1: Seapower: Theory and Practice (1994) 7-32. Zie voor de opzet van de Atlantische NAVO-HQs: Anselm van der Peet, ‘Mainbrace september 1952 ‘moeder’ van alle grote maritieme oefeningen op de NAVO-Noordflank’, Marineblad, 132, 6 (2022) 28-35, aldaar 29.
[11] Thomas-Durell Young, ‘Cooperative Diffusion through Cultural Similarity: the post-war Anglo-Saxon Experience’, in: E.O. Goldman and L.C. Eliason, The Diffusion of Military Technology and Ideas (Stanford 2003) 93-113.
[12] Van der Peet, ‘Mainbrace’, 28-35. Zie voor een analyse van de algehele problematiek van multinationaal maritiem optreden en voorafgaande grootscheepse marine-oefeningen: G.E. Weir, You Cannot Surge Trust. Combined Naval Operations of the Royal Australian Navy, Canadian Navy, Royal Navy and United States Navy, 1991-2003 (Washington DC, 2003) 8-9.
[13] Hattendorf and Weeks, ‘NATO’s Policeman’. Zie verder: A.J. Goode, ‘For Example, See NATO’, U.S. Naval Institute Proceedings, Vol. 121/3 March (1995) https://www.usni.org/magazines/proceedings/1995/march/example-see-nato
[14] Hattendorf and Weeks, ‘NATO’s Policeman’; Jaarboek van de Koninklijke Marine 1965 (‘s-Gravenhage 1966) 536-539.
[15] Jaarboek KM 1965, 536-545.
[16] Macleod, ‘Exercise Match Maker’.
[17] Jaarboek KM 1965, 536-545.
[18] Macleod, ‘Exercise Match Maker’.
[19] R.G. Colbert, ‘The Standing Naval Force Atlantic’, Naval War College Review, Vol. 22, no. 9 (1969) 1-2; Anselm van der Peet, ‘‘Similar but not identical’. Achtergronden en vorming van de United Kingdom and Netherlands Amphibious Force (UKNL AF) 1965-1973’, Marineblad 133, 3 (2023) 14-21, aldaar 15-16.
[20] Hattendorf and Weeks, ‘NATO’s Policeman’.
[21] John Hattendorf, ‘Admiral Richard G. Colbert, Pioneer in Building Global Maritime Partnerships’, Naval War College Review, Vol. 61, no. 3 (2008) 109-130, aldaar 112, 120-121.
[22] Hattendorf and Weeks, ‘NATO´s Policeman’.
[23] Zie biijvoorbeeld: Yvonne van Beusekom, ‘Stronger Together. Zr.Ms. Tromp in Standing NATO Maritime Group 1’, Marineblad 133, 1 (2023) 4-10.
Gerelateerd
'Verblijven in de afgrond van de hel!'
In het Nationaal Archief te Den Haag zijn de werfboeken van Harlingen daterend tussen 1798-1808 te vinden. Dit archiefmateriaal is voor dit…
Het leven van een marnier-arts tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog
In de Normandische havenstad Cherbourg koopt eerste luitenant-vlieger Frans Lutz zijn eerste dagboek. De 28-jarige vlieginstructeur van de…
Nederlanders aan boord van Hitlers vlaggenship
Tenminste 35 Nederlandse dienstvrijwilligers werden – als enige niet-Duitsers – op Hitlers vlaggenschip de Tirpitz geplaatst. Wie waren…

