Een geval van hardnekkige misvorming:

Karel Doorman, functie elders?

Aan het einde van het artikel ‘Een geval van hardnekkige misvorming?’ in het Marineblad van maart 2024 kondigden auteurs dezes een tweede, afsluitend artikel aan.[i] In het bijzonder over de krijger, SBN K.W.F.M. Doorman.   

 

Portret Karel Doorman gemaakt in de fotostudio van Henri Berssenbrugge, Zeemanstraat Den Haag (collectie J.M. Doorman)

Deel 1 richtte zich op de ernstige beschuldigingen van auteurs Rob Enthoven en Peter C. Boer in de Militaire Spectator jegens marinehistoricus KLTZ Ph.M. Bosscher.[ii] Hij zou in diens historische analyses over het handelen van SBN Karel Doorman in de jaren 1941-42, deze de hand boven het hoofd hebben gehouden door nadelige zaken weg te laten. En dat in wetenschappelijke publicaties. Zoals in deel 1 van dit tweeluik is aangetoond, bleek de onderzoeksmethode van beide beschuldigers vooral te bestaan uit het onvermeld laten dat Bosscher allerlei controversiële kwesties over Doorman juist wel beschreef. Dit kun je misvorming noemen. 

Om te bezien of hun aanpak als structureel valt te kenschetsen, houdt deze tweede en laatste bijdrage een andere publicatie van beide critici tegen het licht. Uit de reeks kritische artikelen is gekozen voor de publicatie die het beeld van Doorman zeer zwaar aantast: ‘De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk?’, is de weinig vleiende titel boven het stuk van Enthoven en Boer in het militair-historisch tijdschrift Mars et Historia (nr. 2, 2021). Beide critici richten hierin niet zozeer hun pijlen op de geschiedschrijver Bosscher, maar direct op de krijger Doorman. Deze zou onder meer voor de in 1941-1942 gepleegde oorlogsinzet hebben gedisfunctioneerd. Ons onderzoek beziet derhalve of Enthoven en Boer opnieuw gegevens hebben weggelaten, waarmee zij hun beschuldigingen kracht bij konden zetten. 

Zogenaamd disfunctioneren

In het genoemde Mars et Historia-artikel veronderstellen de critici dat SBN Doorman disfunctioneerde en dat er een vertrouwenscrisis bestond tussen hem en zijn leidinggevende VADM C.E.L. Helfrich. Hun aanpak om tot deze twee conclusies te komen, geeft uitstekend weer hoe beide auteurs hun bronnen hebben gebruikt en geïnterpreteerd. 

In hun inleiding stelt het tweetal critici dat Helfrich, commandant Zeemacht in Nederlands-Indië, al sinds voorjaar 1941 van mening zou zijn dat Doorman niet functioneerde. Als bron hiervoor gebruiken zij de brief- en telegramwisseling tussen Helfrich en de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten VADM J.T. Furstner te Londen, die daarheen in mei 1940 was uitgeweken toen de Duitsers Nederland onder de voet liepen. Op 21 april 1941 schrijft eerstgenoemde aan Furstner over de bevordering van marineofficieren in Nederlands-Indië.[iii] Punt 2 van die brief gaat over Doorman, waarin Helfrich het onwenselijk vindt dat er andere vlagofficieren in de Aziatische kolonie zijn met dezelfde rang als hij zelf, vice-admiraal. Furstner is het met hem eens, want in de kantlijn heeft hij de opmerking geschreven: ‘Deze bevordering is niet nodig’. 

Maar Doorman was sinds 16 mei 1940 schout-bij-nacht en gezien de normale periode van bevordering tot vice-admiraal destijds (doorgaans twee jaar), zou die pas een jaar later, in mei 1942, werkelijk aan de orde komen.[iv] De opmerking in de kantlijn van Furstner is dan ook goed te begrijpen, de kwestie was eenvoudigweg nog niet urgent. Beide critici stellen evenwel in hun artikel dat ‘Helfrich lijkt te suggereren Doorman bij mogelijke bevordering tot vice-admiraal buiten Indië te plaatsen.’[v] Zij opperen deze suggestie binnen de door hun eerder in het artikel gecreëerde sfeer als zou Doorman incompetent zijn, met als implicatie dat zijn superieur van hem af wilde. Voor die stelling is geen enkel bewijs. Het enige wat de bronnen zeggen, is dat Doorman door Helfrich juist competent genoeg werd geacht om voor bevordering in aanmerking te komen. Als dat (in 1942, een jaar later) aan de orde was, wenste Helfrich geen ondergeschikte in gelijke rang als hijzelf.

‘Van een disfunctioneren van SBN Doorman, of vertrouwenscrisis met zijn leidinggevende VADM Helfrich, was in 1941 helemaal geen sprake’

Invulling chef van de Marinestaf in Londen: Doorman functie elders?

Ter verdere beantwoording van hun vraag hoe het (nou toch) mogelijk was dat Doorman tot eskadercommandant werd bevorderd, beroepen beide critici zich op correspondentie over het overplaatsen van KTZ J.W. Termijtelen vanuit Nederlands-Indië naar Londen. Furstner zag Termijtelen graag in Londen om daar als chef van de Marinestaf te gaan functioneren. Helfrich antwoordde in zijn telegram; ‘… dat anderen waaronder twee vlagofficieren, beschikbaar zijn.’[vi] Deze niet met name genoemde vlagofficieren zijn SBN Doorman en SBN G.W. Stöve. Helfrich wilde Termijtelen graag behouden en hij herhaalde deze beschikbaarheid in een brief aan Furstner gedateerd 23 juli 1941.[vii]

Furstner hield evenwel vast aan zijn voornemen Termijtelen naar Londen te halen. In de jaren 1936-1939 had hij, toentertijd zelf chef Marinestaf, zeer goed met Termijtelen kunnen samenwerken in zijn functie van souschef Marinestaf.[viii] Helfrich betreurde zeer het vertrek van deze ook door hem gewaardeerd hoofdofficier, die tot 19 juli 1941 als commandant van de flottieljeleider Hr.Ms. Tromp uitstekend voldeed.[ix]

Beide vice-admiraals waren dus aan het touwtrekken om Termijtelen, waarbij Furstner aan het langste eind trok. Uit het beschikbaar zijn voor de – niet geringe – functie van chef Marinestaf in Londen van zowel Doorman als Stöve, kan niet de conclusie worden getrokken, zoals Enthoven en Boer suggereren, dat eerstgenoemde niet functioneerde. Over een eventueel disfunctioneren van Doorman is in de correspondentie uit 1941 niets te vinden; integendeel, Helfrich hield er juist rekening mee dat hij te zijner tijd werd bevorderd. Dat Stöve voor de aangehaalde post in Londen beschikbaar was, kwam evenmin voort uit incompetentie. Hij zou namelijk eerder, in mei-juni 1940 naar Nederland worden overgeplaatst, iets waar de Duitse bezetting een stokje voor had gestoken. Stöve was de voorganger van Doorman als commandant van het eskader in Nederlands-Indië. Noodgedwongen bleef eerstgenoemde in Zuidoost-Azië en moest het doen met wat daar voorhanden was: hij werd commandant van het pas opgerichte KIM in ballingschap te Soerabaja. Iets wat geen recht deed aan zijn rang en eerdere functies.[x]

Op 13 juni 1940 neemt SBN Stöve als aftredend eskadercommandant afscheid van KTZ Termijtelen (links) aan boord van Hr.Ms. kruiser De Ruyter te Soerabaja (collectie NIMH)

Ook Doorman had in voorgaande jaren in andere (staf)functies naar wens gefunctioneerd; het polsen van beide vlagofficieren door Helfrich voor de belangrijke functie in Londen in mei en juni 1941 mag dan niet bevreemden. Dat Helfrich geenszins aan disfunctioneren dacht inzake Doorman, blijkt uit een brief van hem aan Furstner gedateerd 3 oktober 1943. Hierin beschrijft hij de inmiddels in de Slag in de Javazee omgekomen Doorman als ‘een zeer goede kracht’, die ‘vermist’ is.[xi] Wel ontstond er in februari 1942 verschil van strategisch inzicht tussen Doorman en Helfrich (Doorman wilde terugtrekken om later met meer kans op succes te vechten), maar dat stond los van de door Enthoven en Boer aangehaalde correspondentie van 1941.[xii]

Bevoegdheid Helfrich bij disfunctioneren

Beide critici beweren dat Helfrich als commandant Zeemacht in Nederlands-Indië geen eigen bevoegdheid zou hebben gehad om slecht funtionerende hoge marineofficieren te ontslaan of over te plaatsen.[xiii]Wellicht proberen zij hiermee aannemelijk te maken dat de in hun ogen weinig competente Doorman op zijn post bleef. Het is eigenaardig dat Enthoven en Boer over het hoofd zien dat VADM Helfrich, gelijk zijn voorgangers, naast commandant Zeemacht Nederlands Indië ook het hoofd van het Departement der Marine was. Dit was een van meerdere ministeries binnen de koloniale regering van Nederlands-Indië. Zo’n Indisch ministerie mocht slechts ‘departement’ worden genoemd met aan het hoofd geen minister – hoewel lid van de regering van Nederlands-Indië –, maar een departementshoofd. Anders zou de kolonie te gelijkwaardig worden aan de koloniale overheerser, Nederland. 

In dit kader is het van belang dat de bevelhebber der Zeestrijdkrachten Furstner op 27 juli 1941 tegelijk als minister van Marine was aangesteld. Let wel, als bewindsman in de voor de Duitse bezetters uitgeweken Nederlandse regering te Londen. De extra werkdruk van deze nieuwe functie zal hebben gemaakt, dat hij graag Termijtelen als chef Marinestaf naast zich zag. Hoe dan ook, in beide functies had Furstner hiërarchisch geen zeggenschap over Helfrich; deze viel onder de gouverneur-generaal, officieel de opperbevelhebber van Land- en Zeemacht in de kolonie. Helfrich en Furstner waren dus tot elkaar veroordeeld om logischerwijs goed samen te werken. Als departementshoofd had Helfrich de bevoegdheid voor overplaatsingen binnen zijn jurisdictie, inclusief hoofd- en vlagofficieren, zoals Termijtelen.[xiv] Mits de gouverneur-generaal geen bezwaar maakte natuurlijk.

Afb. 4. Hr. Ms. Evertsen verlaat de marinehaven te Soerabaja op 27 december 1933 voor haar thuisreis met als commandant KLTZ K.W.F.M. DoormanHr.Ms. Evertsen verlaat de marinehaven te Soerabaja op 27 december 1933 voor haar thuisreis met als commandant KLTZ K.W.F.M. Doorman (collectie NIMH)

Dat Helfrich bereid was in te grijpen, blijkt bijvoorbeeld toen de beoogde commandant voor de kruiser Hr. Ms. De Ruyter in april 1940 vanuit Nederland arriveerde in Nederlands-Indië. Deze KTZ werd na een negatief schrijven van de toenmalige eskadercommandant, niemand anders dan SBN Stöve, door Helfrich niet in deze functie geplaatst, maar aan wal als commandant van de Marinekazerne Oedjoeng in Soerabaja. Volgens Stöve miste deze marineofficier de eigenschappen om als oudste kruisercommandant bij ziekte of afwezigheid van de eskadercommandant deze te vervangen.[xv] Als het moest, trad Helfrich echt wel op, dit in tegenstelling tot wat de critici beweren in hun artikel: ‘Hoewel Helfrich wilskrachtig en besluitvaardig was, trad hij soms weifelachtig op daar waar dat leidinggevenden betrof die in zijn ogen niet goed functioneerden.’[xvi]

Merkwaardig gebruik van conduiterapporten als bron

Merkwaardig is ook zowel de interpretatie als het selectieve gebruik door beide auteurs van twee conduiterapporten van Doorman uit 1932 en 1933.[xvii] ‘Doorman was een streng commandant die een scherpe tucht handhaafde op de schepen onder zijn commando. Hij was impopulair bij het lager personeel’, aldus de auteurs na analyse van de conduiterapporten.[xviii] Dit weinig vleiende beeld van Doorman ontstaat doordat ze de rest van deze rapporten simpelweg weglaten. Dit valt makkelijk aan te tonen.

Het eerste conduiterapport van Doorman betrof de periode van 7 juni tot 1 december 1932. Dit rapport werd diezelfde 1 december opgesteld door toenmalig eskadercommandant SBN J. Bosma. Doorman was toen commandant van de torpedobootjager Hr.Ms. Witte de With en tegelijkertijd belast met het bevel over Groep I Torpedobootjagers. Bosma’s oordeel: ‘Manoeuvreert en navigeert goed met zijn schip zowel als met de groep. Beijvert zich om groep en schip tot oorlogsgereedheid op te voeren. Heeft een helder verstand en een goed tactisch en strategisch inzicht. Is voortvarend en opgewekt. Levendig karakter. Handhaaft orde en tucht op krachtige wijze. Zeer goed gedrag’. 

Afb. 2. Deel van het Conduite rapport van Doorman opgesteld door de eskadercommandant M.H. van Dulm. grootDeel van het conduiterapport van Doorman opgesteld door eskadercommandant M.H. van Dulm (bron: collectie NIMH)

Het tweede conduiterapport van 5 oktober 1933 is opgesteld door de nieuwe eskadercommandant, SBN M.H. van Dulm en blikt terug op de dramatische periode 1 december 1932 tot 5 oktober 1933.[xix]Dramatisch, want op 4 februari 1933 brak in Nederlands-Indië muiterij uit op Hr.Ms. De Zeven Provinciën. Het was de climax van een door bezuinigingen op de gage en navolgende dienstweigeringen op meerdere schepen en in kazernes, zeer gespannen situatie. Doorman handhaafde de krijgstucht op krachtige wijze in zijn gecombineerde functie van groepscommandant torpedobootjagers alsook commandant van Hr.Ms. Evertsen gedurende die lastige tijd, aldus Van Dulm. Gezien de dienstweigeringen die zich ook hadden voorgedaan op de Evertsen, was dat ook zeer wenselijk.[xx] Verder was ook Van Dulm te spreken over Doorman. ‘Bijzonder bekwaam officier, voert het bevel, zowel over de groep als over zijn onderhebbende jager op uitmuntende wijze. Manoeuvreert zeer goed. Uitmuntend gedrag; zeer veel ijver en toewijding. Zeer goed verstand en vlug van begrip. Bezit wetenschappelijke aanleg; zeer goede krijgskundige begrippen.’ Van Dulm beveelt hem bijzonder aan voor leidende en staffuncties en voegt eraan toe dat vanwege Doorman zijn verleden ‘…bij de Marine Luchtvaartdienst bijzonder geschikt (is) voor commandant van een vliegkamp.’ 

'Doorman handhaafde de krijgstucht op krachtige wijze'

Niet alleen zijn leidinggevenden wisten Doormans optreden blijkbaar te waarderen in die roerige tijd. In een schrijven van LTZ2 Gerhard Kruys aan zijn broer LTZ2 Wim Kruys, gedateerd 30 april 1933, blikt de eerste terug op de periode van dienstweigeringen in Soerabaja. ‘Er is er eigenlijk maar één die goed militair is opgetreden en dat is overste Doorman geweest. Zonder enige speculatie op gezin en ontslag heeft hij gewaarschuwd voor de gevolgen en toen persoonlijk stuk voor stuk (hetgeen voorgeschreven was!) de order gegeven naar baksgewijs te gaan en die het niet deden (ongeveer 30 man) in arrest gesteld. Dit verliep zonder enige moeilijkheid.’[xxi]

Deze uitstekende beoordelingen van Doorman blijven in het artikel van Enthoven en Boer onbenoemd, waardoor de lezers een onvolledig beeld krijgen. Iets wat voor de strekking van hun artikel ‘De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk?’, essentieel is. De volledige context van die periode – het was een tijd van muiterij – laten zij achterwege, waarmee zijn ingrijpen en het als gevolg daarvan niet bij iedereen geliefd zijn een onvolledig en ronduit verkeerd perspectief krijgt. 

Ledigheid van Doorman begin jaren dertig?

Een daarmee samenhangende tekst uit hetzelfde artikel wekt eveneens verbazing. ‘Begin jaren dertig werd door de economische crisis brandstof gerantsoeneerd en een aantal oppervlakteschepen langdurig opgelegd. In die tijd zou er door de marineofficieren niet veel zijn gedaan, maar wel veel gelezen en gepraat. Dat zou ook gegolden hebben voor Karel Doorman.’[xxii]

Dit is nu net de periode (1932-1933) waarin Doorman als commandant van zowel Hr.Ms. Witte de With als Hr.Ms. Evertsen en tevens als groepscommandant torpedobootjagers de eerder besproken positieve conduiterapporten mocht ontvangen. Ongetwijfeld heeft hij veel gelezen en gediscussieerd, maar juist ook gevaren en geoefend door de Indische archipel. Voor Doorman liet de dienst dat toe; gedurende de periode die beide critici voor ogen hebben, doorkruiste hij veelvuldig de archipel. Zijn Groep I torpedobootjagers maakte deel uit van het eskader en ondanks de economisch ongunstige tijden, was er ruimte voor de noodzakelijke oefeningen en vlagvertoon. Gelukkig zijn de scheepjournaals van de torpedobootjagers Hr. Ms. Witte de With en Hr. Ms. Evertsen uit die periode raadpleegbaar.[xxiii] Een representatieve samenvatting van de activiteiten is als volgt te construeren.

In de periode van juni 1932 tot eind december 1933 werd continu geoefend in eskaderverband.[xxiv] Altijd met een andere torpedobootjager in divisieverband, naast de kruisers Hr.Ms. Sumatra of Hr.Ms. Java met aan boord de eskadercommandant. Samenwerking met de divisie onderzeeboten van het eskader werd dikwijls gezocht, al dan niet om te fungeren als doelschip. Bijzonder was ook de logistieke assistentie bij een tocht van drie Dornier-Wal vliegboten in de archipel in november 1932.[xxv] Diverse variërende schiet-, vuurleidings-, torpedolanceer- en neveloefeningen werden ondernomen, maar ook nabijbescherming bij aanvallen door onderzeeboten tegen kruisers werd beoefend. Niet alleen in de omgeving van de marinehaven Soerabaja, maar ook daar ver vandaan. Het eskader opereerde van Tarakan tot Timor en van Celebes tot Sumatra: een enorm gebied. Daarnaast was er het nodige vlagvertoon, waarin onder meer de gouverneur van Celebes, de sultan van Bima op Soembawa en de resident van Timor werden bezocht, wat bijna altijd tot tegenbezoeken leidde. Ook op de Koninginnedagen (toen nog op 31 augustus) van 1932 en 1933 lag het eskader in Tandjong Priok bij Batavia om acte de présence te geven, met daarbij bezoek van de commandant Zeemacht van Nederlands-Indië en zijn staf in 1933. Tussentijds deden zich regelmatig inspecties van de eskadercommandant voor, die ook oefeningen bijwoonde. De periode is dus zeker niet af te doen als een met weinig activiteit of waarbij op de lauweren werd gerust, in ieder geval niet voor Doorman.

Afb. 3. In de maand november 1932 verleenden de torpedobootjagers Hr. Ms. Witte de With en HrIn de maand november 1932 verleenden de torpedobootjagers Hr.Ms. Witte de With en Hr.Ms Van Galen logistieke assistentie aan drie Dornier Wal vliegboten (foto: collectie NIMH)

Doormans benoeming tot eskadercommandant

Het meest opvallende aan het onderzochte artikel van Enthoven en Boer betreft hun conclusie. Doorman zou gehandhaafd zijn als eskadercommandant omdat: ‘Er sprake kan zijn geweest van een zekere mate van protectie in die zin dat het vanwege disfunctioneren ontheffen uit zijn functie van een persoon als Doorman tot een ongewenste geachte blamage voor zijn familie en kennissenkring zou leiden. Dat zou een negatieve uitwerking kunnen hebben op de gemeenschap van marineofficieren en hun gezinnen in Nederlands-Indië.’[xxvi] Wederom suggereren beide auteurs iets waarvoor elk bewijs ontbreekt.  

Mocht iemand op de positie, die Doorman bekleedde, niet hebben voldaan of zelfs hebben gedisfunctioneerd, dan zou de marineleiding (lees: Helfrich) zeker hebben ingegrepen. De kwaliteit en de voortgang van de dienst en het landsbelang, gingen uiteraard voor een eventuele blamage voor familie of kennissenkring. Van een disfunctioneren of wegpromoveren van Doorman is gezien de aangehaalde bronnen geen sprake geweest. Aan zijn benoeming tot eskadercommandant met de daarbij behorende rang van schout-bij-nacht ging een proces vooraf waarin hij werd beoordeeld op zijn kwaliteiten. Kwaliteiten treffend weergegeven in 1933 door de eskadercommandant schout-bij-nacht M.H. van Dulm. 

Ook daarna heeft Doorman als chef van de staf der Zeemacht in de Stelling van Den Helder (1934-1937), als kruisercommandant (1937-1938) en commandant van de Marineluchtvaartdienst in Nederlands-Indië (1938-1940) uitstekend voldaan. Geheel conform het eerdere conduiterapport als opgesteld door Van Dulm. Het is dan ook weinig verrassend dat Doorman al in maart en mei 1939 in de pers werd aangekondigd als de toekomstige eskadercommandant in Nederlands-Indië.[xxvii] Meer dan een jaar voordat hij op 13 juni 1940 deze functie ging bekleden.

Tot slot 

In een reeks publicaties, te beginnen met een in het vaktijdschrift Militaire Spectator en daarna in het militair-historische verenigingsblad Mars et Historia voerden auteurs Enthoven en Boer een campagne tegen wijlen Karel Doorman. Daar meenden wij op te moeten reageren gelet op door ons geconstateerde onvolkomenheden in deze publicaties. Allereerst in een artikel in het Marineblad (nr. 1, 2022) ‘Waarom het goed is Karel Doorman en de Slag in de Javazee niet te vergeten.’ [xxviii] Daarin wordt beschreven hoe zwaar de taak van Doorman was gedurende de Slag in de Javazee. 

‘Door hun discutabele aanpak ontstaat juist een incorrect beeld’

Daarna verscheen in 2024 het eerste artikel van ons tweeluik, waarin wij aantoonden dat de kritiek van beide critici in de Militaire Spectator op het wetenschappelijk werk van de marinehistoricus Bosscher - die de krijger Doorman tegen beter weten in verdedigd zou hebben -, onjuist is. Zij verweten Bosscher, bijvoorbeeld, zaken weg te laten over de controverse of Doorman niet te vroeg omdraaide bij zijn inzet tegen Japanse landingen op Zuid-Sumatra. En dat terwijl Enthoven en Boer in deze casus van wetenschapskritiek zelf weglieten dat Bosscher uitvoerig op deze controverse ingaat. Een beeld wat wordt bevestigd door de recensie van Caspar Dullemond over hun boek over de Javazee-campagnes, waarin hij aannemelijk maakt dat zij bronnen niet geheel juist interpreteren.[xxix] Door hun discutabele aanpak ontstaat juist een incorrect beeld, niet alleen van de historicus Bosscher zelf, maar ook van de door hem beschreven inhoudelijke krijgshistorie. Met als belangrijkste teneur het wegzetten van de krijger SBN Karel Doorman als een weinig capabel militair commandant.

De Amerikaanse historicus SBN Samuel E. Morison schetsten zij daarbij als uiterst kritisch over Doorman, zonder te vermelden dat deze in latere publicaties dit beeld bijstelde en zeer lovende woorden uitte voor Doorman.[xxx] In een reactie in het Marineblad verdedigde Boer de aanpak van hen door er op te wijzen dat het standaardwerk van de kritische Morison ongewijzigd werd gedrukt (wat niet ongebruikelijk is). Hij verzuimde evenwel op te merken, zo constateerden wij in onze reactie op hem, dat de publicatie waarin Morison Doorman prijst evenzeer ongewijzigd werd herdrukt.[xxxi] Wij constateerden daarin verder dat zij kritiek van de Amerikaanse historicus Arthur J. Marder op Doorman (overtrokken) weergaven, maar weglieten dat de Britse admiraliteit Doormans eskader tijdig had willen laten terugtrekken, precies wat Doorman voorstond.[xxxii] Anders gezegd, to fight another day, maar het geallieerde eskader viel niet onder de admiraliteit.

Het voorliggende tweede deel van ons tweeluik, dat zich op de krijger Doorman richt, toont dat beide critici eenzelfde discutabele aanpak hanteerden om Doorman als incompetent voor te stellen. Naast zaken suggereren zonder een duidelijke historische basis, benoemden Enthoven en Boer meerdere zaken niet, met als meest flagrante voorbeeld Doorman’s conduitestaten. Deze zijn in tegenstelling tot wat de beide critici beweerden zeer prijzend over betrokkene. Ook deze tweede analyse van de onderzoeksmethodiek van Enthoven en Boer toont de (ook toekomstige) lezer wederom, dat het onverstandig is om zich te baseren op de genoemde werken van Enthoven en Boer, zonder zelf hun bronnen te bestuderen.

 

Jan Maarten Doorman doet al meer dan dertig jaar onderzoek naar de marine en in het bijzonder marineofficieren vanaf de Eerste tot de Tweede Wereldoorlog, mede gestimuleerd door zijn familieband met Karel Doorman.

Dr. Jaap Anten is maritiem historicus en promoveerde in 2011 op het proefschrift ‘Navalisme nekt onderzeeboot.’ Hij is verbonden aan de denktank Defensiebeleid en Krijgsmacht van de Gezamenlijke Officierenverenigingen (GOV|MBH).

pdfDownload dit artikel

Noten

[i] Jaap Anten met medewerking van Jan Maarten Doorman. Een geval van hardnekkige misvorming? Analyse van recente revisionistische uitingen over de geschiedschrijving over de Javazeecampagne. Marineblad nummer 2 in 2024.

[ii] Dr. P.C. Boer en Drs R. Enthoven ‘Schout-bij-nacht Doorman en de Javazee-campagne. Een geval van hardnekkige beeldvorming’, Militaire Spectator, jrg. 188, nr. 3 (2019).

[iii] NIMH persoonsdossier Stöve, doos 553.

[iv] Voor 1940 was het inderdaad gangbaar bij goed functioneren om al na 2 jaar van SBN naar VADM te worden bevorderd. Kijk maar naar de loopbanen van o.a. de vlagofficieren M.H. van Dulm, H. Ferwerda, J.Th. Furstner, C.E.L. Helfrich, T.L. Kruys en A. Vos.

[v] Drs. R. Enthoven en dr. P.C. Boer, ‘De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk?’, Mars et Historia, nr. 2 (2021), 27.

[vi] Nationaal Archief 2.12.29 Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, map 352. Telegram van Helfrich aan Furstner, 8 juli 1941.

[vii] Nationaal Archief 2.12.46 Luitenant-admiraal J.Th. Furstner 1932-1968, map 10. Brief van Helfrich aan Furstner, gedateerd 23 juli 1941. 

[viii] Delpher. Nieuwe Haarlemsche Courant 31 oktober 1936 en Soerabaiasch Handelsblad van 2 mei 1939.

[ix] Nationaal Archief 2.12.29 Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, map 352. Telegram van Helfrich aan Furstner, 8 juli 1941.

[x] NIMH persoonsdossier Stöve, doos 553. Van 7 december 1937 tot 13 juni 1940 was Stöve eskadercommandant in Nederlands-Indië. Daarvoor onder meer chef-staf op het eskader in Nederlands-Indië, kruisercommandant en directeur van de Hogere Marine Krijgsschool.

[xi] Nationaal Archief 2.12.46 Luitenant-admiraal J.Th. Furstner 1932-1968, map 10. Brief van Helfrich aan Furstner, gedateerd 2 oktober 1943.

[xii] Beschreven in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 11a. Nederlands Indië I. Tweede helft. Dr. L. de Jong 1984 en door dr. Ph. M. Bosscher in De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog. Deel 2, 1986. Deels in J. Anten. Waarom het goed is Karel Doorman en de Slag in de Javazee niet te vergeten. Analyse en nieuwe inzichten van deze zeeslag. In Marineblad nr 1, februari 2022 [omslag geeft 2021].

[xiii] Drs. R. Enthoven en dr. P.C. Boer, ‘De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk?’, Mars et Historia, nr. 2 (2021), 32.

[xiv] Nationaal Archief. Persoonlijk archief van luitenant-admiraal C.E.L. Helfrich, 1940-1962. Inv.nr. 2. Schrijven uit de Regeringsalmanak van Nederlands-Indië. De Zorg en het beheer over de in Nederlands-Indië aanwezige zeemacht berust bij het Departement der Marine in Nederlands-Indië. Het beheer van departement is opgedragen aan de Commandant der Zeemacht en Hoofd van het Departement der Marine in Nederlands-Indië. Dat was van 1939-1942 vice-admiraal C.E.L. Helfrich (1886-1962).

[xv] NIMH Stöve 33. Brief van de eskadercommandant schout-bij-nacht G.W. Stöve (1889-1977) aan de commandant Zeemacht Nederlands-Indië schout-bij-nacht C.E.L. Helfrich gedateerd 24 maart 1940 waarin hij adviseert de KTZ A.M. Hekking (1889-1977) niet te benoemen tot commandant Hr. Ms. kruiser De Ruyter om hem moverende redenen.

[xvi] Drs. R. Enthoven en dr. P.C. Boer, ‘De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk?’, Mars et Historia, nr. 2 (2021), 26.

[xvii] NIMH Persoonsdossiers doos 543 K.W.F.M. Doorman (1889-1942).

[xviii] Drs. R. Enthoven en dr. P.C. Boer, ‘De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk?’, Mars et Historia, nr. 2 (2021), 29.

[xix] M.H. van Dulm (1879-1949) was vervolgens van 1934 tot 1936 de Commandant Zeemacht in Nederlands-Indië.

[xx] Nationaal Archief. Ministerie van Marine Scheepsjournalen. Inv.nr. 1348 Hr. Ms. Torpedobootjager Evertsen.

[xxi] De auteur van de brief diende toen op de marinekazerne Goebeng te Soerabaja. Kopiebrief van het origineel uit het archief van de familie Kruys. Archief J.M.D. Doorman.

[xxii] Drs. R. Enthoven en dr. P.C. Boer, ‘De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk?’, Mars et Historia, nr. 2 (2021), 24-25.

[xxiii] Nationaal Archief. Ministerie van Marine Scheepsjournalen Inv.nrs. 4965 en 4966 van Hr. Ms. Torpedobootjager Witte de With en Inv.nrs. 1348 en 1349 van Hr. Ms. Torpedobootjager Evertsen.

[xxiv] Met uitzondering van de stillig periodes.

[xxv] Van 19 november 1932 t/m 30 november 1932 maakten de D.16, D.24 en de D.35 een vliegtocht naar Celebes en de Kleine Soenda eilanden. Nico Geldhof. Dornier Wal. De eerste grote zeeverkenner van de Marine Luchtvaartdienst, 2014. Pagina 283. Uitgeverij Geromy bv.

[xxvi] Drs. R. Enthoven en dr. P.C. Boer, ‘De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk?’, Mars et Historia, nr. 2 (2021), 32.

[xxvii] Delpher. Bataviaasch Nieuwsblad 27 maart 1939 avondblad en de De Locomotief 11 mei 1939.

[xxviii] Dr. Jaap Anten, ‘Waarom het goed is Karel Doorman en de Slag in de Javazee niet te vergeten. Analyse en nieuwe inzichten van deze zeeslag’, Marineblad, nr 1 (februari 2022) [omslag geeft 2021].

[xxix] Caspar Dullemond MA, ‘Karel Doorman en het nadeel van de twijfel’, Marineblad, nr 2 (2024). Recensie De Javazee-campagnes van schout-bij-nacht Karel Doorman van Rob Enthoven en Peter C. Boer.

[xxx] Samuel Eliot Morison. History of United States Naval Operations in World War II, Volume 3 , 1948. The Two-Ocean War, A Short History of the United States Navy in the Second world War, 1963

[xxxi] Reactie van Jaap Anten en Jan Maarten Doorman op de reactie van dr. P.C. Boer op het artikel: ‘Een geval van hardnekkige misvorming? Analyse van recente revisionistische uitingen over de geschiedschrijving over de Javazee-campagne.’ Rubriek ‘Reacties’ Marineblad, nr. 3(2024), 32-33.

[xxxii] Zie ook de voorgaande noot. Beiden stellen Marder in zijn standaardwerk Old Friends, New Enemies, Volume 2 (herdruk 1992) voor als kritisch tegenover Doorman (wat reuze blijkt mee te vallen), en vermelden zoals gezegd niet dat Marder (op p. 78-79) schrijft, dat de Britse admiraliteit in de persoon van First Sealord Dudley Pound wenste dat het geallieerde eskader zich voor de Slag in de Javazee zou terugtrekken. Precies Doormans strategische inzicht (waarin hij verschilde van Helfrich), dat beide critici hem verwijten.

 

Gerelateerd

 

 

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave