Een geval van hardnekkige misvorming
KLTZ dr. Ph.M. (Flip) Bosscher krijgt op 28 april 1989 een koninklijke onderscheiding uitgereikt door Commandant Zeemacht VADM J.D.W. van Renesse (foto: collectie NIMH)

Een geval van hardnekkige misvorming

Analyse van recente revisionistische uitingen over de geschiedschrijving over de Javazee-campagne

In 2024, nu 82 jaar later, blijft het hoe, wat en waarom van de Slag in de Javazee op 27 februari 1942 een bron van onderzoek en discussie. Dat is niet verkeerd. Veranderende contexten leiden tot nieuwe vragen, aanvullende inzichten aan de hand van nieuwe bronnen geven andere antwoorden. Dat is passend voor de laatste grote zeeslag van een vloot onder Nederlandse leiding, een nederlaag met groot verlies aan mensenlevens, recent beschreven in onder andere het Marineblad van februari 2022. In de oorlogsjaren en de periode kort erna werd de commandant van deze bondgenootschappelijke vloot, schout-bij-nacht Karel Doorman, het heldhaftige boegbeeld van een campagne om het Nederlandse moreel op te krikken.

 

Al direct na de slag waren kritische geluiden te horen en in de jaren daarna resulteerde dat in historisch onderzoek. Veel vragen werden op basis van onderzoek beantwoord, soms geheel, soms gedeeltelijk. Was dit treffen achteraf strategisch wenselijk? Was er tactisch gezien meer te halen geweest? Welke lessen waren te leren uit dit belangrijke combined optreden? Hoe hadden de militaire leiders zich gemanifesteerd? Was de slag, in een begrijpelijke poging het oorlogsmoreel op te vijzelen, niet misbruikt? En was daardoor de geschiedschrijving niet beïnvloed en zelfs misvormd geraakt?

Jawel, aldus Pieter C. Boer en Rob Enthoven. In een aantal publicaties schrijven zij over de strijd in Indië in 1941 en ‘42. Het zijn kritische werken, zowel aan het adres van de krijgskunst en de krijger, in het bijzonder schout-bij-nacht Doorman, als de geschiedschrijving en de schrijver van het standaardwerk over de Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog KLTZ dr. Ph.M. (Flip) Bosscher. Niet alleen achten beide critici de krijgskunst en geschiedschrijving misvormd, ook zijn zij uiterst kritisch over deze krijger en deze geschiedschrijver. Zij beoordelen zelfs hun karakter, kunde en integriteit negatief.

Een zuiver objectief verhaal over een verloren zeeslag met weinig overlevenden in een uiterst onzekere en existentieel bedreigende context, is op voorhand een uitdaging. Dat op zich zou al een rem moeten zetten op te ferme kwalitatieve uitspraken en conclusies, zoals die van Boer en Enthoven. Ze hebben zo veel gepubliceerd, dat het onmogelijk is al hun artikelen hier te behandelen.[i] Wel hoopt deze bijdrage aannemelijk te maken dat wie over de Slag in de Javazee meer wil weten – en zeker een toekomstige geschiedschrijver – niet op deze publicaties kan bouwen, maar zélf de onderliggende bronnen moet gaan verifiëren. Er blijken namelijk voldoende aanknopingspunten voorhanden om deze kritiek op Doorman en Bosscher te weerleggen.

Dit artikel is het eerste van een tweeluik in het Marineblad, waarin deze aanknopingspunten worden onderbouwd om daarmee de kritiek van Boer en Enthoven te ontkrachten. Het gaat speciaal in op de geschiedschrijving door Bosscher: hij zou Doorman tegen beter weten in de hand boven het hoofd hebben gehouden. Aan de hand van twee historische voorbeelden wordt aangetoond dat het gebruik van bronnen door Bosscher geheel anders is dan het tweetal critici ons willen voorhouden. Een tweede artikel, dat later verschijnt, behandelt meer de krijgskunst en de krijger. Ook dat artikel zal met andere voorbeelden aantonen dat bij een minder selectief gebruik van bronnen de conclusies van beide critici anders hadden moeten zijn.

‘Een zuiver objectief verhaal over een verloren zeeslag met weinig overlevenden in een uiterst onzekere en existentieel bedreigende context, is op voorhand een uitdaging’

Voorbeeld I: visies op de slag in de Javazee

Allereerst, wat willen de critici uitzoeken? ‘De centrale vraag is in hoeverre Bosscher als geschiedschrijver (…) in lijn bleef met de eerdere Nederlandse beeldvorming van Doormans handelen en in welke mate hij relevante informatie hierover heeft genegeerd.’ Zo schrijven zij in hun eerste publicatie uit 2019, Schout-bij-nacht Doorman en de Javazee-campagne. Een geval van hardnekkige beeldvorming?[ii]

Waarom Bosscher? Deze auteur, marineofficier en historicus, die regelmatig in onder andere het Marineblad publiceerde, kan worden beschouwd als de belangrijkste Nederlandse geschiedschrijver over de strijd ter zee in WOII. Als antwoord op voornoemde vraag halen de twee criticasters, naast Bosscher, vijf andere Nederlanders aan die Doorman prijzen om ‘goed leiderschap en moed’, gevolgd door liefst zestien buitenlandse historici die kritisch zouden zijn over Doorman.[iii] Het pièce de résistance van de kritische publicatie wordt gevormd door in te gaan op de wijze waarop Bosscher de acties van Doorman beschreef, inclusief die in de Javazee, met als belangrijkste ingrediënt dat negatieve informatie over Doorman zou zijn genegeerd. Niet alleen vanuit het buitenland, ‘veelal uit Angelsaksische hoek’, maar ook uit Nederland. En dat is tegelijk, kort samengevat, de slotconclusie.[iv]

Vier van deze ‘kritische’ buitenlanders zijn kopstukken als Samuel E. Morison, die de officiële geschiedenis van de US Navy in WOII voor zijn rekening nam, Stephen W. Roskill, die hetzelfde deed inzake de historie van de Royal Navy, Ronald. J. Spector, die een latere, goed leesbare versie van de Pacificoorlog schreef en bovenal de Brit Arthur J. Marder, die Roskill overklast.[v] Hun kritiek op de Nederlandse vlagofficier wordt deels opgehangen aan diens actie tegen de Japanse invasievloot bij Zuid-Sumatra, die later in dit artikel uitvoeriger aan bod komt. Voor nu: Morison is kritisch op SBN Doorman, die te vroeg zou zijn omgedraaid voor vijandelijke luchtaanvallen en de Japanners hun gang liet gaan. ‘... some of the Netherlands naval commanders in the Indies had not learned the lesson that that defense is impossible without an offensive posture’, zo wordt hij geciteerd. Spector lijkt zich deels op Morison te baseren. Roskill deels ook, maar hij en Marder oordelen een stuk voorzichtiger over de Koninklijke Marine.

Foto 1. 24 Januari 1941 Willem van der Zaan in Soerabaja. Tweede van rechts Doorman in gesprek met Lindner en Heringa Schout-bij-nacht K.W.F.M. Doorman, tweede van rechts, in gesprek met de commandant van mijnenlegger Hr.Ms. Willem van der Zaan KLTZ H.D. Lindner. De directeur van het Marine-Etablissement C.W. Heringa (midden) luistert aandachtig toe. Links LTZ1 J.J. Quéré, adjudant van de Marine Commandant te Soerabaja (foto: collectie Spaarnestad)

Het artikel in de Militaire Spectator laat niet alleen na deze nuances te noemen, ernstiger is dat de auteurs Morisons oordeel blijven herhalen en stelselmatig minder afwijzende oordelen over de geplaagde Nederlandse SBN negeren. Dit zet de lezer op het verkeerde been. Nergens wordt Morisons eindoordeel vermeld, opgehangen aan de Slag in de Javazee in zijn The Two-Ocean War uit 1963, zestien jaar na de publicatie van zijn eerdere kritiek. Morison toont in dit latere werk zelfs lof: ‘Admiral Doorman, a fine type of fighting sailor’, zelfs ‘That great seadog never acknowledged defeat’. En: ‘The main factors in this battle, any one of which would have doomed the allies to defeat, were complete lack of air power, bad communications, and the enemy’s superiority in torpedoes. The most surprising thing about the battle was its duration. […] That it lasted so long was due Admiral Doorman’s stubborn determination and the admirable manner in which men of the three navies under his command fought and fought until they could fight no more.[vi]’ Roskill oordeelde over dit gevecht: ‘Though it is possible that more skillful tactical handling could have inflicted losses on the enemy and made his object more difficult, the final outcome of the Battle of the Java Sea could hardly have been other than it was; […]’.[vii]

Maar ‘more skillful tactical handling’, of het gebrek daaraan, dat kon Doormans leiderschap die dag niet herstellen – daar zorgde de veelal superieur getrainde homogene Japanse vloot voor. De heterogene en deels minder goed getrainde en niet op elkaar ingespeelde geallieerde vloot was nu eenmaal zoals die was. Daarbij lijkt Morison niet te beseffen dat Doorman bleef doorvechten vanwege de ijzeren orders van commandant Zeemacht Nederlands-Indië en bevelhebber van de geallieerde zeestrijdkrachten aldaar VADM C.E.L. Helfrich, die hij uiterst loyaal en tegen zijn eigen oordeel in verrassend lang heeft proberen uit te voeren.

Vromans ontbreekt

Het bovenstaande lijkt op zichzelf al voldoende bewijs dat het wel meeviel met de tegenstelling tussen buitenlandse en Nederlandse historici inzake de strijd in de Javazee. Zelfs al zou de Nederlandse geschiedschrijving tot nu de buitenlandse negeren, negeert het artikel van de twee criticasters nota bene zelf het verreweg belangrijkste Nederlandse historische onderzoek over het treffen van 27 februari ‘42.

Foto 3. A.G. Vromans in 1968 KTZ b.d. A.G. Vromans na WOII in dienst als medewerker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, 1968 (foto: collectie NIMH)

In 1961 publiceerde KTZ b.d. A.G. Vromans, werkzaam op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD), het tegenwoordige NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, zijn minuut-tot-minuut reconstructie van de Slag in de Javazee.[viii] Een monnikenwerk, eindigend, zoals in het buitenland gebruikelijk is bij dergelijke reconstructies, in een uitgebreide ‘trekkaart’ met de gestuurde koersen van de schepen op ieder moment van de slag. Hiervoor maakte Vromans, met de nodige assistentie, gebruik van allerlei Britse, Nederlandse, Australische, Amerikaanse en Japanse bronnen over de slag. Deze werden tegen elkaar afgewogen. Anders gezegd, de buitenlandse visies zijn hierin geïntegreerd. In de begeleidende tekst, die de slag van moment tot moment beschrijft, staat vaak ook kort wat een schip deed of waarnam indien van belang. De superioriteit van Vromans’ werk blijkt wanneer die wordt vergeleken met een soortgelijke Japanse kaart die vermoedelijk goeddeels op Japanse gegevens berust.[ix] De Keizerlijke Marine overschatte de gevechtsafstanden, terwijl de koersen van de Geallieerden niet geheel kloppen. Laatstgenoemden overschatten die afstanden ook. Niet ongebruikelijk in een tijd van visuele afstandsmeting. Ongetwijfeld door de koersen van beide partijen op elkaar te ijken kwam Vromans, deskundig op de toenmalige scheepsartillerie, tot kleinere gevechtsafstanden. Beide trekkaarten maken zonneklaar hoe moeilijk de positie van Doorman was.

Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, het standaardwerk van Lou de Jong (directeur RIOD 1945-1979), berust wat betreft analyses van de zeegevechten in Indië ook op zijn maritieme deskundige in dit instituut, namelijk Vromans. Typerend voor gewraakte MS-publicatie is dat dit laatste onvermeld blijft en in plaats daarvan De Jong bekritiseert voor het niet lezen van een bepaald boek én dat Bosscher hem adviseerde.[x] Sterker, het werk van Vromans vormt de basis voor elke serieuze Nederlandse beschrijving van de Slag in de Javazee. Inclusief Bosscher en die in het Marineblad van februari 2022, die voor een beter begrip kan worden herlezen.[xi]  

Vromans’ kaart toont dat Doorman en de geallieerde scheepsmacht aan het begin van de slag doortastend in westelijke richting langs de kust varend (zoals hij vooraf met Helfrich was overeengekomen) de Japanse transportvloot probeerde te bereiken, maar uiteindelijk werd aangevallen door de parallel varende Japanse zware kruisers, terwijl verderop Japanse lichte kruisers en grote aantallen Japanse torpedobootjagers naar de kust draaiden en hem zo de weg begonnen te versperren. Er zat weinig anders op dan oostelijk weg te draaien, óók als de treffer op de kruiser Exeter zijn vloot niet in verwarring had gebracht.[xii] Maar ongehinderd door kennis beroept genoemde publicatie uit 2019 zich op een beperkte bron van ver voor Vromans; de zeehistoricus Milo, die in 1952 beweerde dat de order aan Doorman grote militaire potentie had.[xiii] Later koppelt deze publicatie dit aan het gegeven dat Doorman bij zijn nadering de Japanse transportvloot kon zien, wat inderdaad zo was, maar dat hij vroegtijdig zijn zou zijn afgedraaid.[xiv] Deze klunzige geschiedschrijving suggereert dat Doorman – mede geplaatst in de context van de latere publicaties – incompetent, halfhartig, zo niet bangelijk zou zijn.

Voorbeeld II: de uitval richting Zuid-Sumatra op 14-15 februari 1942

Het tweede voorbeeld uit genoemd artikel uit 2019 betreft een van Doormans iets eerdere vlootacties. Hiervoor is al de kritische mening van de Amerikaan Morison genoemd - die volgens auteurs Boer en Enthoven door velen werd gedeeld - dat Doorman zijn actie tegen de Japanse landingen in Zuid-Sumatra te vroeg opgaf na luchtaanvallen. Ook deze historische analyse zou Bosscher hebben veronachtzaamd.

De Japanse landingen op Zuid-Sumatra begonnen in de nacht van 14 op 15 februari. Doorman had besloten diezelfde nacht de vijand te naderen via de smalle, maar relatief korte Straat Stolze tussen Bangka en het ernaast gelegen eiland Billiton. De betrokken vijf geallieerde kruisers, Hr.Ms. De Ruyter, Java en Tromp, HMAS Hobart en HMS Exeter, werden voorafgegaan door vier parallel varende Nederlandse torpedobootjagers als bescherming tegen onderzeeboten, gevolgd door zes oude Amerikaanse torpedobootjagers. Om half zes in de ochtend van 15 februari liep de meest over rechts opererende jager, Hr.Ms. Van Ghent, op een kustrif en ging verloren.    

Een tactische beslissing: het jagerscherm

Een eerste discussie over deze actie betreft het al dan niet inklappen van het jagerscherm. Bosscher verdedigt in zijn studie Doormans beslissing het jagerscherm niet in te klappen in het smalste deel van de zeestraat, vanwege de lastige radiocommunicatie en de mogelijkheid dat vijandelijke onderzeeboten deze toegang afsloten. Andere Nederlandse onderzoekers bekritiseerden deze visie, zoals de latere VADM A.N. baron de Vos van Steenwijk. In een eindnoot vermeldt Bosscher dan ook dat De Vos van Steenwijk – en met hem Lou de Jong – een andere mening was toegedaan: het scherm had moeten worden ingeklapt.[xv]

Hoe gaan de critici hiermee om? Er is geen melding dat Bosscher, zoals zijn eindnoot duidelijk maakt, zijn eigen afweging van voor en tegens heeft gemaakt. Hij wordt simpelweg neergezet als iemand die Doorman blijft verdedigen en De Vos van Steenwijk negeert. Op die manier wordt Bosschers argument van een onderzeebootdreiging geheel genegeerd. Er is zeker iets voor te zeggen dat je een scherm hiertegen niet snel inklapt waar de dreiging het grootst is: bij een zeestraat. Doormans beslissing was in die zin dus geen zwart-wit of goed-fout situatie. Nog afgezien van de luchtdreiging na zonsopkomst, moest Doorman rekening houden met een onderwaterdreiging en door koraalriffen lastig te navigeren water. Het rif dat de Van Ghent fataal werd is daarbij mogelijk niet goed in kaart gebracht.[xvi]

Wat tot nu toe in de geschiedschrijving niet is genoemd, is dat VADM Helfrich de functies van flottieljecommandant onderzeeboten, commandant torpedobootjagers en zelfs die van eskadercommandant, als vredestijdfuncties zag. Hij probeerde alle drie zoveel mogelijk aan wal vanuit zijn hoofdkwartier zelf te vervullen. Direct na het begin van de Japanse vijandelijkheden aanvang december 1941, schafte hij zelfs de flottieljecommandanten onderzeeboten en commandant torpedobootjagers af. Al daarvoor zond hij de commandant van de torpedobootjagers vaak niet eens een ‘ter kennisname’ van zijn orders.[xvii] Het gevolg van deze wijze van commandovoering lijkt duidelijk. De coördinatie van het optreden van de jagers viel weg: juist deze commandant had een beter overzicht om het scherm tijdelijk te kunnen versmallen.

Foto 4. Hr. Ms. torpedobootjager van Ghent Torpedobootjager Hr.Ms. Van Ghent liep op 15 maart 1942 op een rif in de Straat Stolze (foto: collectie NIMH)

Dit alles geeft al aan hoe complex een dergelijke discussie achteraf over de besluitvorming van schout-bij-nacht Doorman is. Scherpe kritiek zoals die van De Vos van Steenwijk is onmisbaar om van te leren. De moeizame remedie had moeten zijn; minder beslissingen genomen op het vlaggenschip, maar veel meer eigen initiatief op lagere niveaus, sowieso van groot belang bij nachtelijke gevechten, te beginnen met flottieljecommandanten en later bij de individuele commandanten. De Japanners waren al zo ver en de Britse aanpak in deze oorlog, bekend als The Nelson touch, ging steeds verder in deze richting. 

Een nieuwe tactische beslissing: Doorman keert om

Nadat Straat Stolze was gepasseerd werden de vijf geallieerde kruisers en acht resterende torpedobootjagers (de Banckert stond de Van Ghent bij) om 09:00 uur in de ochtend van 15 februari verkend door een Japans vliegtuig. Vlak voor het middaguur begonnen zware luchtaanvallen. Even na 13.00 uur besloot Doorman terug te keren via Straat Stolze. Veilig waren de Geallieerden niet. Tot aan het eind van de middag kregen zij met tussenpauzes bomaanvallen te verduren.

‘Doorman wist dat de vijand op hem reageerde, mede dankzij permanente luchtverkenning’

In Japanse ogen keerde Doorman vroeg om, voordat hun bommen waarneembare schade hadden aangericht.[xviii] Er was veel te zeggen voor omkeren, naar mening steller dezes, wat later of wat vroeger. Na verkend te zijn wist de Nederlandse vlagofficier dat de vijand op hem zou reageren. Allereerst met bommen vanuit de lucht. Dat was gebeurd bij zijn eerste actie, waarin de kruiser USS Marblehead dusdanig werd beschadigd dat deze terug moest naar de Verenigde Staten, terwijl op de USS Houston de achterste geschutstoren werd uitgeschakeld en het richttoestel voor de luchtafweer op de De Ruyter ook, maar het werd snel gerepareerd. Inderdaad volgden nu dus weer zware bombardementen. De Japanse luchtverkenning bleef het geallieerde eskader die dag voortdurend volgen. Zelf moest Doorman het zonder behoorlijke luchtverkenning stellen. Hij wist waar de landingen waren, maar wist niet waar de krachtige Japanse ondersteuningsmacht was, die er ongetwijfeld zou zijn.

20240307 110452Straat Banka (bron: Atlas van Tropisch Nederland, 1938)

Dit is de in het artikel uit 2019 zo bekritiseerde beslissing. Deze wordt op dezelfde manier behandeld als de aanloop in Straat Stolze. Bosscher wordt neergezet als iemand die Doorman tegen beter weten in verdedigt. Ook hier wordt De Vos van Steenwijk, wederom zeer kritisch over Doorman (niemand aan boord van de Tromp waarop deze officier toentertijd diende zag de noodzaak van de terugtocht in), opgevoerd als de ultieme arbiter, gesteund door de negatieve opinies over deze beslissing van genoemde historici als Morison en Roskill. Ook hier wordt door Boer en Enthoven, Bosschers afweging afgedaan als een vooringenomen opinie. Maar Bosscher beriep zich voor zijn analyse grotendeels op SBN b.d. en tactisch-doctrinaire denker J.F.W. Nuboer. De Vos van Steenwijk vermeldt in zijn boek dat, volgens Nuboer, Doorman zeker met de Japanse vloot in botsing zou zijn gekomen, maar gaat helaas direct verder met zijn eigen opinie dat Doorman had kunnen doorvaren en een goede kans maakte de Japanse landingsvloot te onderscheppen.[xix] Nuboer publiceerde vertalingen van de officiële Japanse geschiedschrijving in het Marineblad in de jaren 1974-1977, daarna gebundeld als De Japanse Marine Operaties tegen Nederlands-Indië (Uit Japanse Bron).[xx] Dat hij slechts een selectie hieruit publiceerde, maakt het aannemelijk dat hij meer van de inhoud kende. Hij noemt de kritiek van Morison en Roskill ‘wel zeer ongefundeerd’ en stelt dat Doorman zeker in botsing zou zijn gekomen met de Japanse ondersteuningsgroep.[xxi]

Het artikel van beide critici laat verder onvermeld dat Bosscher (p. 237-238) duidelijk ingaat op de controverse tussen De Vos van Steenwijk en Nuboer inzake Doormans omkeren. Na het weglaten van overige context en onderzoek door beide critici bij hun analyse van de actie bij Straat Stolze, wordt hiermee hun aanpak nog duidelijker. Nuboer blijft zelfs geheel ongenoemd in deze context, waarmee veel relevante achtergronden vervallen in de afweging die Bosscher maakte ten gunste van Doorman. Nu wil de ironie dat juist het nummer van de Militaire Spectator waarin de publicatie van voornoemde criticasters is opgenomen, veel aandacht besteedt aan de dan net gepubliceerde (bijna) volledige vertaling van de Japanse officiële geschiedenis. Uitgebreider nog dan bij Nuboers gedeeltelijke vertalingen komt het Japanse handelen naar voren in deze The Operations of the Navy in the Dutch East lndies and the Bay of Bengal.[xxii]

Foto 7 NuboerKLTZ J.F.W. Nuboer in 1944 (foto: collectie Anefo, Nationaal Archief)

De Japanse visie: een gemiste kans om Doorman te verpletteren [xxiii]

De Japanners landden pal voor de westelijke uitgang van Straat Bangka, beschermd door torpedobootjagers en lichte kruisers. De hoofdmacht onder VADM Jirebu Ozawa bevond zich in de ochtend van 15 februari ‘42 honderd zeemijl ten noordoosten hiervan. Deze dekte daarmee ook een nadering door bijvoorbeeld Straat Stolze. De harde kern van de hoofdmacht bestond uit vijf zware kruisers, een klein vliegkampschip en nog enige kleinere jagers. Voldoende om Doorman te verpletteren. Waarom gebeurde dat niet?

Japanse luchtverkenning maakte spoedig duidelijk dat Doorman naderde. Deze luchtverkenners schatten de Geallieerden sterker in dan ze waren; er werd onder andere een slagschip gemeld. Dit maakte Ozawa voorzichtig. Hij ging op tegenkoers, tot op 65 zeemijl van de Striking Force, om zo een vroegtijdige ontmoeting te voorkomen. De Japanse vlagofficier hoopte dat luchtaanvallen de vijand nog vóór de zeeslag zouden verzwakken. Ondertussen berichtte het ene na het andere Japanse verkenningsvliegtuig dat Doorman niet over een slagschip beschikte.

De officiële Japanse geschiedenis haalt ernstige kritiek op Ozawa aan. Zijn vloot had de geallieerde dichterbij visueel moeten volgen. Zijn optreden en dat van de verkenning wordt zelfs beschreven onder de uiterst kritische titel ‘Een gemiste kans om de vijandelijke vloot te vernietigen.’ Ozawa verdedigde zich tegen deze kritiek. Zijn hoofdtaak was het beschermen van de landingsvloot en hij wist nog niet of er verdere geallieerde schepen ter versterking zouden komen.[xxiv] De ‘voorzichtige’ Ozawa speelde overigens later in WOII een hoofdrol in de twee laatste zeer grote zeeslagen tegen Amerikanen en bekleedde toen zelfs de functie die eerder door de beroemde admiraals I. Yamamoto en H. Togo was ingevuld; bevelhebber van de Gecombineerde Vloot. Hier zien we het Japanse professionele militaire systeem met analyse van leiderschap in actie. Keiharde kritiek op eigen optreden, maar dit gebeurde om het systeem te verbeteren en niet om op de man te spelen.

Nuboer schreef al dat Doorman nabij Bangka vrijwel zeker zou zijn vernietigd in een zeeslag.[xxv] Dat lijkt geen grootspraak. Doormans sterkste kruiser was de Exeter met 6 kanons van 20 cm, daarna volgde de kleinere Hobart, de nog kleinere De Ruyter, de verouderde Java en de flottieljeleider Tromp. De laatste was in grootte halverwege een kleine kruiser en een torpedobootjager in.[xxvi] Los van de kleinere schepen als jagers bezat Ozawa dus vijf zware kruisers, elk veel groter en zwaarder bepantserd dan HMS Exeter en uitgerust met 10 kanons van 20 cm plus de zware torpedobatterijen die later in de Javazee beslissende klappen zouden uitdelen.

Foto 5. De Britse zware kruiser Exeter in 1942De Britse zware kruiser HMS Exeter, nam deel aan de actie op 15 februari in de Gaspar Straten en was toen het zwaarst bewapende schip van de gecombineerde vloot (foto: collectie NIMH)

Een onverwachte wending

Sinds het verschijnen van hun artikel in 2019, hebben Boer en Enthoven bovengenoemde officiële Japanse geschiedenis wél gelezen, zo blijkt uit hun in 2022 verschenen boek The Battle for Palembang 14-15 February 1942.[xxvii] Zij bevestigen nu dat Doormans omkeren terecht was. Dit hadden beide auteurs al lang kunnen weten als ze Bosschers bron, Nuboer, niet systematisch hadden genegeerd. In hun boek overigens geen woord erover dat Bosscher, zich baserend op Nuboer, het bij het rechte eind had. In plaats daarvan verwijten ze Doorman in deze actie plotseling iets anders, te weten dat hij niet door Straat Bangka was gevaren, waardoor hij direct bij de Japanse landingen zou uitkomen! Ze betogen dat Straat Stolze net zo gevaarlijk was en weinig ruimte bood als Straat Bangka.[xxviii] Dat laatste gold slechts in mindere mate voor de hele Straat Stolze, maar vooral voor het korte, door eilandjes versperde stukje, waar de Van Ghent strandde.

Een belangrijk deel van de analyse door KTZ J.C. d’Engelbronner - die zij gelet op bronvermeldingen blijkbaar hebben gelezen - waarom Straat Bangka voor Doorman nicht im Frage kwam bij een nachtelijke doorvaart, laten de twee critici evenzeer onvermeld. De vijandelijke sterkte was bij de Geallieerden onbekend, terwijl eigen ontdekking niet onaannemelijk was. Het element van verrassing ging zo verloren, terwijl het bevaarbare deel van de zeestraat zó smal was dat hoge (gevechts)snelheid niet mogelijk was.[xxix] Wat in het artikel van Boer en Enthoven verder ontbreekt, is een verwijzing naar de kaart in de officiële Japanse geschiedenis met patrouillezones tot diep in deze zeestraat – Doorman zou zeker ontdekt zijn.[xxx]

‘Misvorming is iets heel anders dan andere accenten leggen in een afweging’

Deelconclusie: een geval van hardnekkige misvorming?

De vraag die voorlag, is of de Nederlandse geschiedschrijving inzake de acties van de Koninklijke Marine en hun Geallieerden in de strijd om Nederlands-Indië zuiver is geweest, met name door Bosscher. Boer en Enthoven stellen dat deze geschiedschrijving zich nooit heeft kunnen losmaken van het ophemelen van SBN Doorman. Een tendens die vooral gedurende de Tweede Wereldoorlog voortkwam uit propaganda om het geknakte moreel op te vijzelen. Daartegenover stond buiten- maar ook enige binnenlandse kritiek in de jaren direct na de oorlog.

Dit alles heeft, zeker na 1950 gestaag plaats gemaakt voor serieus onderzoek door Bosscher – en de twee andere kopstukken, De Jong en Vromans – met voldoende ruimte voor hoor en tegenhoor en opnames van internationale bronnen, waaronder ook Japanse. Maar beide critici verwijten Bosscher zeer selectief gebruik van bronnen. Door kritische bronnen te negeren, zou Bosscher over het optreden van Doorman en de Koninklijke Marine als geheel een kwalijk positief beeld schetsen. De twee bovenstaande voorbeelden, over de slag zelf en de daaraan voorafgaande actie nabij Sumatra, tonen echter dat Bosscher wel degelijk voors- en tegens tegen elkaar afwoog. Het blijken juist Boer en Enthoven die hier systematisch essentiële zaken buiten beschouwing laten in Bosschers afwegingen. Anders gezegd, zij maken zelfs nauwelijks afwegingen om tot een objectief geschiedbeeld te komen. Dat is misvorming, wat iets heel anders is dan andere accenten leggen in een afweging.

Of deze misvorming hardnekkig is? Een volgend artikel van dit tweeluik zal aantonen dat zij in het geval van de krijgskunst en de krijger, in de persoon van Doorman, op dezelfde voet doorgaan.

  

Dr. J. (Jaap) Anten is maritiem historicus en promoveerde in 2011 op het proefschrift ‘Navalisme nekt onderzeeboot’. Hij is verbonden aan de denktank Defensiebeleid en Krijgsmacht van de Gezamenlijke Officierenverenigingen (GOV|MHB). Dit artikel kwam tot stand met medewerking van dhr. J.M. Doorman.

pdfDownload dit artikel

Noten

[i] In de periode van 2019 tot en met 2023 publiceerden P.C. Boer en R. Enthoven gezamenlijk een reeks artikelen en een boekwerk. Chronologisch hieronder weergegeven.

- P.C. Boer en R. Enthoven, Schout-bij-nacht Doorman en de Javazee-campagne. Een geval van hardnekkige beeldvorming? In Militaire Spectator nummer 3, 2019.

- R. Enthoven en P.C. Boer, Heldendood Karel Doorman een mythe. Mars et Historia nummer 4, 2020, blz 4-12.

- R. Enthoven en P.C. Boer, De benoeming van Karel Doorman tot schout-bij-nacht en eskadercommandant. Hoe was dat mogelijk? Mars et Historia nummer 2, 2021, blz. 24-32.

- R. Enthoven en P.C. Boer. De bijna vergeten actie in Straat Badung. Mars et Historia nummer 2, 2022. Blz. 17-26.

- P.C. Boer and R. Enthoven, The Battle for Palembang 14-15 February 1942, Amsterdam 2022. Batavian Lion International.

- P.C. Boer en R. Enthoven. De Beveiliging door de Koninklijke Marine en de Militaire Luchtvaart/KNIL van de Britse konvooien naar Singapore in januari en februari 1942. Deel 1: de konvooien en de inzet van de Koninklijke Marine. Mars et Historia nummer 3, 2023. Blz. 13-21.

- P.C. Boer en R. Enthoven. De Beveiliging door de Koninklijke Marine en de Militaire Luchtvaart/KNIL van de Britse konvooien naar Singapore in januari en februari 1942. Deel 2: de inzet van de Militaire Luchtvaart van het KNIL. Mars et Historia nummer 4, 2023. Blz. 4-11.

[ii] P.C. Boer en R. Enthoven, Schout-bij-nacht Doorman en de Javazee-campagne. Een geval van hardnekkige beeldvorming? In Militaire Spectator nummer 3, 2019, citaat p. 124-125.

In een lange eerdere reactie op deze publicatie in Militaire Spectator nummer 4, 2019, p. 206-212 schetst KLTZ drs Henk Warnar (tot op zekere hoogte) een context rondom Bosscher en zijn geschiedbeschrijving. Veel van de beschreven materie komt hier aan de orde. Hij betoogt dat Bosscher onderscheid maakte tussen feiten en zijn eigen meningen. Van die laatste kun je iets vinden. Ook is hij kritisch over de methode van Boer en Enthoven in hun artikel, speciaal hun suggestieve aanpak en hoe ze bronnen gebruiken. Maar een meer intensieve en tijdrovende bronnenkritiek op het artikel, zoals nu is gebeurd, maakt hardere conclusies mogelijk dan van Warnar.

[iii] Schout-bij-nacht Doorman en de Javazee-campagne, p. 123-124. Het hoofdwerk van Bosscher over de strijd in Nederlands-Indië is De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog. Deel 2, 1986.

[iv] Schout-bij-nacht Doorman en de Javazee-campagne, p. 137.

[v] (a) Samuel Eliot Morison, The Rising Sun in the Pacific, 1931-April 1942: History of United States Naval Operations in World War II, Volume 3 (History of United States Naval Operations in World War II). 1948. (b) Samuel Eliot Morison, The Two-Ocean War, A Short History of the United States Navy in the Second world War. 1963. (c) Captain S.W. Roskill, The war at sea 1939-1945, Volume II. London, 1956.  (d)  Ronald H. Spector, Eagle against the Sun, The American War with Japan. 1984. (e) Arthur J Marder, Mark Jacobsen, John Horsfield, Old friends, new enemies, The Royal Navy and the Imperial Japanese Navy. Volume II: The Pacific War, 1942-1945. 1990.

[vi] Citaten Morison 1963, The Two-Ocean War, p. 90, 95, 97.

[vii] Roskill 1956, The war at sea 1939-1945, Volume II, p.16.

[viii] A.G. Vromans, Het Gevecht in de Javazee op 27/28 februari 1942. Delen 1 en 2 1961, het minuut-tot minuut verslag met de trek-kaart. In 1965 deel 3 operaties onder water en in de lucht. Dit is helaas in kleine aantallen verschenen en nooit als boekuitgave.

[ix]  Willem Remmelink [Edited and translated by], The Operations of the Navy in the Dutch East lndies and the Bay of Bengal. Compiled by The War history Office of the National Defense College of Japan. War History Series, Volume 26. 2018. De kaarten ‘Attached Illustrations 5,6, 7’ staan op p. 743-749. Waardevol voor de Japanse koersen, maar minder voor de geallieerde, en beide op elkaar checken, terwijl de gevechtsafstanden soms overdreven lijken.

[x] Schout-bij-nacht Doorman en de Javazee-campagne. p. 136.  Verder suggereert het artikel dat Bosscher De Jongs deskundige was, waarbij Vromans ontbreekt. De Jong behandelt Doormans acties in zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Deel 11 a, Nederlands-Indië I, tweede helft, 1984.

[xi] Op p. 419 van zijn De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog. Deel 2 besteedt Bosscher veel aandacht aan Vromans en zijn reconstructie. Een recente beschrijving van het gevecht is J. Anten, Waarom het goed is Karel Doorman en de Slag in de Javazee niet te vergeten. Analyse en nieuwe inzichten van deze zeeslag. In Marineblad nr 1, februari 2022 [omslag geeft 2021].

[xii] Een versie van Vromans’ kaart staat op p. 130 van H.J. Legemaate, A.J.J. Mulder en M.G.J. van Zeeland, Hr.Ms. Kruiser ‘De Ruyter’, 1933-1942. 1999.

[xiii] Boer en Enthoven stellen op. 125-126 van Schout-bij-nacht Doorman en de Javazee-campagne niet te weten of Milo’s standpunt wel of niet in 1952 is gepubliceerd in wat zij ‘Elsevier Magazine’ noemen. Daarin zeker niet, want dat heette toen Elseviers Weekblad. Milo zal het ongetwijfeld met de latere uitzoekerij van Vromans eens zijn geweest. Hij was óók assistent van Milo, zo vermeldt Vromans vooraan in zijn Het Gevecht in de Javazee op 27/28 februari 1942.

[xiv] Schout-bij-nacht Doorman en de Javazee-campagne. p. 135.

[xv] Bosscher, De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog. Deel 2. Het gaat om noot 219 op p. 234, die wordt uitgelegd op p. 564. De Vos van Steenwijk zette zijn visie uiteen in Mr. A.N. baron de Vos van Steenwijk vice-admiraal b.d., Het Marinebeleid in de Tweede Wereldoorlog. 1986.

[xvi] J.R. (Rob) van Diessen heeft een geografische opleiding en is uitgever van Nederlands-Indische / Indonesische stedenboeken, zeer omvangrijke atlassen over de VOC en de Grote Atlas van Nederlands Oost-Indië. Hij vertelde dat hij in 2005 per vissersboot naar het rif voer. Volgens een bemanningslid dat de stranding meemaakte, MGA van Zeeland, stond het rif niet op de kaart. Het bleek bij laag water zichtbaar, maar bij hoogwater mogelijk niet. Er lagen nog huidplaten en delen van de stoominstallatie van de Van Ghent. Telefonische mededeling Rob van Diessen aan Jaap Anten, 30 oktober 2023. Het lijkt laatstgenoemde niet aannemelijk dat vele officieren met hun behoorlijke hydrografische ervaring in Indië – zowel die op het vlaggenschip als op de torpedobootjagers – niet zouden weten dat er in deze toegang tot de Javazee allerlei riffen waren. Er is onder druk in een oorlogssituatie hoog en laag blijkbaar onvoldoende naar gehandeld….

[xvii] J.J.L. Willinge, Oorlogsdagboek van kapitein-ter-zee J.J.L. Willinge 8 december 1941 - 26 januari 1942 (in 1942 met de rang van KLTZ), p. 28. NIMH, Eb-3. [oude nummering]. In een ander stuk van Willinge (NIMH toegang 008, J.J.L. Willinge [W1724] nr 68, Vervolg aanteekeningen van Ktz. J.J.L. Willinge bij de Marine bulletins, p. 13) liegt er niet om. Op 25 januari 1942 loopt de Van Ghent binnen met daarop de commandant Torpedobootjagers LTZ 1 F.J.E. Krips. Hij vertelt aan Doorman dat hij alleen op de Van Ghent vaart, niet eens weet waar de andere torpedobootjagers zijn en meent dat hij op andere wijze nuttiger kan zijn. Bovendien leidt deze situatie voor hem en de ook aan boord zijnde commandant van de Van Ghent tot een onaangename situatie. Doorman zegt hem toch aan boord te blijven, ten einde leiding te kunnen geven, mochten de jagers worden geconcentreerd. Dit is nooit gebeurd, maar geeft tevens aan dat Doorman het niet met Helfrichs beslissing eens was.

[xviii] Remmelink, The Operations of the Navy. p. 289.

[xix] Bosschers verwijzingen naar Nuboer in De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog. Deel 2 bijvoorbeeld p. 238-239 en de noten 228, 229, 230 op p. 235.  De Vos van Steenwijk, Het Marinebeleid in de Tweede Wereldoorlog, p. 185.

[xx] Schout-bij-nacht tit. b.d. J.F.W. Nuboer, De Japanse Marine Operaties tegen Nederlands-Indië (Uit Japanse Bron), bundel circa 1978. De pagina’s moeten worden uitgeteld, want de nummering ontbreekt. En bij de Japanse weergave moet worden bedacht dat de geallieerde Javatijd 90 minuten achterliep op de Japanse Tokyotijd.

[xxi] Nuboer, De Japanse oorlog uit Japanse Bron, hoofdstuk IV, daarvan p. 10. In zijn De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog. Deel 2 gaat Bosscher op p. 237-238 in op de conflicterende visies van Nuboer en De Vos van Steenwijk, die sprak van een gemiste (geallieerde) kans. Achteraf kun je zeggen dat Bosscher behoorlijk mild stond tegenover De Vos van Steenwijk, die minder goed op de hoogte was van het Japanse optreden dan Nuboer. De gedachte dat Doorman lange tijd een ravage had kunnen aanrichten onder de Japanse landingsvloot lijkt op wensdenken. Zoiets kostte tijd. Daarnaast zou het escorte zich hardnekkig verdedigen en dat konden Japanse schepen zeer goed, bleek later, bijvoorbeeld in de actie in Straat Badoeng. Dit gaf Ozawa tijd naderbij te komen en de Geallieerden alsnog te verpletteren.

[xxii] Remmelink, The Operations of the Navy.

[xxiii] Remmelink, The Operations of the Navy. p. 286-290.

[xxiv] Nuboer, De Japanse oorlog uit Japanse Bron, hoofdstuk IV, daarvan p. 10 (ook in Remmelink, The Operations of the Navy. p. 290).

[xxv] Nuboer, De Japanse oorlog uit Japanse Bron, hoofdstuk IV, daarvan p. 10.

[xxvi] Volgens de geallieerde definitie was het een lichte kruiser. Maar de Fransen noemden deze tussencategorie ‘torpedobootjagers’ (zelfs hun zeer sterke Mogador en Volta) en de Duitsers hun vrijwel even zwaarbewapende schepen (5 kanons van 15 cm tegen 6 op de Tromp) eveneens.

[xxvii] P.C. Boer and R. Enthoven, The Battle for Palembang 14-15 February 1942, p. 41, 100-104.

[xxviii] The Battle for Palembang, p. 41 .

[xxix] J.C. d’Engelbronner antwoordde op een vraag van Professor J.R.M. Butler van de Military Histories Section te Londen waarom Straat Bangka niet werd gekozen. Er werd van tevoren over deze straat gediscussieerd en ook VADM Helfrich accepteerde in plaats daarvan de langere route. NIMH, Toegang 001 Koninklijke Marine Tweede Wereldoorlog , archief 057 Losse stukken no. 1648.  Voetnoot 6 op p. 41 (uitgelegd op p. 131) van The Battle for Palembang, duidt erop dat men bekend is met d’Engelbronner.

[xxx] Remmelink, The Operations of the Navy. p. 286 (Illustration No 28 – The Guarding of the Bangka Strait Anchorage […]).

 

Gerelateerd

 

 

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave