In het licht van de huidige Hoofdtaak 1-discussie
Het Nederlandse Korea-uitzendbesluit van 1950
'Wie zich keert tegen de samenbundeling van de vrije krachten in het Verre Oosten roept een nieuw gevaar op voor de samenbundeling van de vrije krachten in Europa'
Krantenbericht Amerikaanse Daily News 24 juli 1950, naar aanleiding van beschietingen door Hr.Ms. Evertsen en US Navy en Royal Navy schepen van Noord-Koreaanse troepenconcentraties. Achtergrondfoto: de Evertsen (bron: Nationaal Archief en NIMH)
Ruim drie decennia na het einde van de Koude Oorlog staat internationaal veiligheidsdenken in Europa, door onder meer de inval in Oekraïne in 2022, weer bovenaan politieke beleidsagenda’s. Te meer daar de Amerikaanse president Donald Trump duidelijk maakt dat (grootschalige) militaire VS-hulp bij Russische agressie tegen Europese NAVO-lidstaten niet langer vanzelfsprekend is. De primaire focus inzake defensiezaken ligt, ook in Nederland, sindsdien op verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk territoir. Lees: de zogeheten Hoofdtaak 1. Een focus die bij sommige militaire denkers en veiligheidsspecialisten vragen oproept. Onder meer hoe zich dit verhoudt tot Hoofdtaak 2-missies; (opkomen voor) handhaving van het internationaal recht.
VADM b.d. B. Bekkering stelde inzake dit laatste onder meer in Marineblad, dat er buiten Europa legio van dergelijke (juridische) uitdagingen spelen. Bijvoorbeeld waar het bedreigingen in het gebruik van internationale wateren betreft. Te denken valt aan Chinese claims over Taiwan en de tussen het vasteland en dit eiland gelegen zeestraat, of de Zuid-Chinese Zee (ZCZ). Beijing slaat hierbij internationale verdragen of uitspraken van het Internationale gerechtshof in de wind. Dit vraagt in een tijd van turbulente geopolitiek en bijkomende specifieke maritieme kenmerken, om Westerse zeestrijdkrachten, het CZSK incluis, die in staat zijn met presentie overzee, of ‘over de horizon’ zoals Bekkering dit duidt, varend in dergelijke onterecht geclaimde en bedreigde wateren, internationale verdragen te borgen.[i]
KLTZ Roy de Ruiter en KTZ Henk Warnar vragen zich in een recent opiniestuk in Marineblad af, of en waarom de KM inzet zou moeten zien in de Indo-Pacific, zeker in verhouding tot die Hoofdtaak 1. Mede door de aard van sea power, met zijn uithoudingsvermogen, alsook zijn flexibiliteit en toegangsmogelijkheden tot internationale wateren, breken zij een lans voor KM-inzet aldaar. In de kern betreft het vragen met politieke en strategisch achtergronden. Strategisch, omdat het de Nederlandse veiligheidsstrategie betreft, die sinds de oprichting van de NAVO in 1949 grosso modo is ingebed in deze verdragsorganisatie, vooral doordat de (beschermende) supermacht VS hiervan deel uitmaakt. Loyaal bondgenoot zijn van Washington was zodoende tijdens de Koude Oorlog alsook eigenlijk tot de dag van vandaag een ‘ongeschreven fundament van de Nederlandse veiligheidsstrategie’. De Ruiter en Warnar stellen terecht dat deze problematiek tevens politieke componenten kent. Te weten het verdelen van schaarse capaciteiten van de krijgsmacht, maar ook – klassiek voor maritieme belangen - de eigen welvaart en economie, factoren die Beijing met het onder druk zetten van de situatie in de Straat van Taiwan en ZCZ de facto ondermijnt. Politiek Den Haag dient, zo menen beide scribenten, deze belangen en relaties af te wegen en te beslissen wat de eigen strijdkrachten hierin (kunnen) betekenen.
'Dankzij wereldwijde mobiliteit en flexibiliteit zijn veel marines in staat de meeste wateren te bereiken en aldaar te opereren.' Foto: Zr.Ms. Tromp voert een Passing Exercise (PASSEX) uit met INS Trishul, 2024 (foto: Mediacentrum Defensie)
Dankzij wereldwijde mobiliteit en flexibiliteit zijn veel marines in staat de meeste wateren te bereiken en aldaar te opereren. Alsook voor een veelheid aan taken en opdrachten worden ingezet. Aldus valt al te lezen in de Leidraad maritiem optreden (2005) en Grondslagen van het maritieme optreden (2014) van het CZSK.[ii] Hun aanwezigheid en operaties aldaar zijn minder risicovol en beheersbaarder dan die van vooral landstrijdkrachten. Ook in de Indo-Pacific.
De Ruiter en Warnar benadrukken derhalve dat indien Nederland invloed wil hebben op het beheersen van spanningen in voornoemde regio, en hiermee invulling wil geven aan nationale strategische doelstellingen, het daar aanwezig moet zijn. Gelet op de schaarse eigen inzetmiddelen betreft het een beperkte bijdrage. Niettemin kan deze wel degelijk invloed teweegbrengen, waarbij de auteurs dankbaar de recente wereldreis van Zr.Ms. Tromp aanhalen. Het zou Washington zijn opgevallen dat Nederland ondanks een klein fregattensquadron een van deze platforms hiervoor beschikbaar stelde en de oorlogsbodem in door de China betwiste internationale wateren liet opereren ten faveure van het internationaal recht. Indien evenwel, zo waarschuwen de twee officieren, de internationale spanningen in de Indo-Pacific oplopen, ‘zoals een opleving van de oorlog op Koreaanse schiereiland’, zal door vooral de VS méér van Nederland worden gevraagd.[iii]
Voornoemde publicaties, met verwijzingen naar mogelijke Nederlandse marine-presentie in het Verre Oosten gegeven nationale strategie, veiligheidspolitieke belangen, internationaal recht en het grijze gebied tussen vrede en oorlog, crisis en gewapend conflict, waarbij het CZSK over beperkte grote bovenwatereenheden beschikt, roepen echo’s op van de inzet in de Korea-oorlog. Deze begon op 25 juni 1950, nu 75 jaar geleden. Gelet op de intro-afbeelding bij dit artikel, maakten de eerste operaties van de betrokken Nederlandse oorlogsbodem, direct indruk in de VS, tot tevredenheid van Den Haag en de KM. Dit artikel analyseert in het licht van genoemde discussie over de Hoofdtaken 1 en 2, de achtergronden van het toenmalige Nederlandse besluit tot eigen marine-inzet in de Indo-Pacific regio, de resultante ervan voor de relatie tot de VS binnen het door Sovjet-Rusland bedreigde Europa, benevens de status en Force Design van de KM en haar maritieme taakstelling binnen de NAVO.
‘Nederlandse marine-presentie in het Verre Oosten roept echo’s op van de inzet in de Korea-oorlog’
Oorlog in Korea en internationale reactie
Na de Japanse capitulatie in augustus 1945 bezetten Sovjet-Russische troepen het noordelijke deel van Korea, terwijl Amerikaanse eenheden posities innamen op het zuidelijke deel van het schiereiland. De tijdelijk beoogde scheidslijn, de 38e breedtegraad, vormde de facto een grens. Een Communistisch regime zwaaide hierna de scepter in de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang, terwijl in het Zuid-Koreaanse Seoel een conservatieve, Westersgezinde elite aan de macht kwam. Vier jaar later wonnen de communisten onder Mao Zedung een slepende burgeroorlog en riepen de Volksrepubliek China (VRC) uit. Enkel op het eiland Taiwan handhaafden zich door de VS gesteunde zogeheten nationalistische eenheden. De communistische invloedsfeer in Oost-Azië breidde zo in deze beginfase van de Koude Oorlog enorm uit. Kort hierna overtuigde de Noord-Koreaanse dictator Kim Il-Sung (grootvader van de huidige leider Kim Jong-un) zowel Moskou als Beijing ervan, dat zijn door Chinese en Sovjet-Russische adviseurs gesteunde troepen Zuid-Korea snel onder de voet konden lopen. Washington had namelijk ter plekke nauwelijks eenheden en de Zuid-Koreanen ontbeerden goed toegeruste strijdkrachten. Op 25 juni volgde de invasie van Zuid-Korea, waarbij de invallers grote successen boekten.
Het Witte Huis wenste geen nieuwe nederlaag tegen het Communisme en greep het Koreaanse conflict aan om krachtig op te treden tegen verdere machtsuitbreidingen van marxistisch-leninistische snit, waar ook ter wereld. De oorlog vormde zodoende ook de eerste lakmoesproef van de nog jonge NAVO. De VS kon nu namelijk een indruk krijgen van de bereidwilligheid van de West-Europese bondgenoten zich te voegen naar het Amerikaanse buitenlands beleid en veiligheidsbeleid. De overige NAVO-lidstaten konden van hun kant een beeld krijgen hoe Washington in crisistijden handelde en wat er van hen verwacht werd.
Na de Noord-Koreaanse inval namen de Verenigde Naties (VN) in afwezigheid van Sovjet-Rusland (dat op dat moment de volkerenorganisatie boycotte) al op de dag van de invasie een resolutie aan die Pyongyang aanwees als agressor.4 Twee dagen later mandateerde de VN haar lidstaten ‘[to] furnish such assistance to the Republic of Korea as may be necessary to repel the armed attack and to restore international peace and security in the area.’[iv] De Amerikanen breidden sowieso als reactie op de invasie, de op Europa gerichte Truman Doctrine (in 1947 door president H.S. Truman afgekondigd, op grond waarvan de VS door het Communisme bedreigde landen assisteerde) uit naar Azië, met hun aankondiging op 26 juni de Filipijnen en Taiwan militair assistentie te verlenen tegen communistische dreiging. Diezelfde dag gaf Truman het bevel aan de US Navy (USN) en Air Force Zuid-Korea bij te staan. In dit stadium geloofde het Witte Huis nog dat het de invallers kon verslaan zonder inzet van eigen landstrijdkrachten. Spoedig bleek ook dit noodzakelijk, zodat de Amerikaanse regering op 30 juni verordonneerde dat in Japan gelegerde VS-troepen Seoel moesten helpen. De Veiligheidsraad stelde hierna op 7 juli alle inmiddels aan de VN aangeboden militaire eenheden onder een Amerikaanse Unified Command.[v]

VADM jhr. H.A. van Foreest ontvangt begin 1952 op de Amerikaanse ambassade in Den Haag in het bijzijn van US admiral J. Wright (kort hierna SACLANT), van ambassadeur C. Freeman Matthews het commandeurschap van het Legion of Merit (Nationaal Archief, Anefo)

W. Drees, Nederlands premier, 1948-1958 (foto: Rijksoverheid)
Nederlands uitzendbesluit
Terug nu naar 27 juni. Op die dag vroeg de Amerikaanse VN-delegatie de Nederlandse vertegenwoordiger, of ons land een bijdrage wilde leveren aan de zee- en luchtstrijdkrachten voor Korea. Ambassadeur bij de VN D.J. von Balluseck stelde minister van Buitenlandse Zaken D.U. Stikker direct op de hoogte: ‘Mede in de veronderstelling verkerend dat U er een versterking van onze positie in het Verre Oosten in zoudt zien […] werd geantwoord dat de Nederlandse regering een zodanig verzoek in ernstige overweging zou nemen.’ Deze positieve houding, ‘desgewenst deel te nemen aan marineacties bij Korea, ‘b.v. door het zenden van een kruiser’, had naar zeggen van de marineattaché en tevens het hoofd van de Gezamenlijke Nederlandse Stafmissie te Washington, SBN jhr. H.A. van Foreest, op 28 juni op het State Department een ‘uitstekende indruk gemaakt’. Allereerst om psychologische redenen: Nederland had geen stem in de Veiligheidsraad en het gebaar zagen de Amerikanen zodoende als een ‘geheel altruïstische, loyale steun’ aan hun politiek. De uitzending van bijvoorbeeld een KM-torpedobootjager, op dat moment opererend nabij het juist officieel onafhankelijke Indonesië, was in de ogen van de vlagofficier bovendien niet alleen een teken van goodwill, maar bood de USN bovenal snel ‘daadwerkelijke steun’ aangezien ze op dat moment in de westelijke Pacific geen omvangrijke vlootverbanden kende. De Amerikaanse ambassade in Den Haag stuurde hierna aan Stikker een aide-mémoire. Hierin werd een ‘symbolische deelneming’ van Nederland geopperd, die volgens de VS afdoende was. Het departement van Buitenlandse Zaken stelde hierna voor een torpedobootjager in te zetten. Op 29 juni ontving voornoemde bewindsman een telegram van het State Department waarin te lezen viel dat ‘the making available by the Netherlands Government of some naval units […] would be particularly helpful.’[vi]
De Amerikaanse bereidheid de Noord-Koreaanse agressor te stuiten bracht in Den Haag allereerst geruststelling. Al in de ministerraadvergadering van 26 juni had premier W. Drees geoordeeld ‘dat indien Amerika dit [de invasie] over zijn kant laat gaan, men zich weinig illusies behoeft te maken omtrent de militaire steun aan andere landen [in Europa].’ Het kabinet in Den Haag liet op 29 juni aan de Tweede Kamer weten in navolging van de VN-resolutie bijstand te verlenen aan Zuid-Korea en ‘bij te dragen tot herstel van vrede en veiligheid in het betrokken gebied’. In navolging van de Amerikaanse wens, en om een ‘doeltreffende’ uitvoering van de aanbeveling van de Veiligheidsraad te bevorderen, overwogen Drees en de zijnen ‘zeestrijdkrachten vrij te maken, welke zullen deelnemen aan de noodzakelijke maatregelen in genoemd gebied’.
De Tweede Kamer maakte het de regering niet moeilijk tijdens de behandeling op 30 juni van het kabinetsstandpunt inzake Korea. Vragen van vooral de zijde van de Moskou-gezinde Communistische Partij van Nederland (CPN), waarom Nederland een van de eerste landen was die militaire toezeggingen deed na de VN-oproep (slechts 7 van de 59 lidstaten reageerden positief), werden onder verwijzing naar eigen belangen afgedaan. Fractieleider C.P.M. Romme van de KVP (een voorloper van het CDA) gaf bijvoorbeeld als reactie dat Nederland met zijn marine in actie moest komen gezien het feit dat ‘[…] er in de Pacific belangen zijn, die nauw met de onze zijn verweven, en dat wie zich keert tegen de samenbundeling van de vrije krachten in het verre oosten voor de samenbundeling van de vrije krachten in West-Europa een nieuw gevaar oproept’. Premier Drees meende dat Nederland ondanks de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië nog ‘bijzondere belangen in de Pacific’ had. Dit gold onder meer de eigen handelsvloot. Last but not least lag er volgens de minister-president een ‘groot wereldbelang’ in de handhaving en ‘het tot werkelijkheid maken van de grote gedachte van de collectieve veiligheid.’[vii]
‘Premier Drees meende dat Nederland ondanks de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië nog ‘bijzondere belangen in de Pacific’ had’
De regering moest tegenover het parlement wel zaken verduidelijken zoals het mandaat dat de marine in het inzetgebied kreeg. Fractievoorzitter H.W. Tilanus (CHU, eveneens een voorloper van de latere fusiepartij CDA) wilde weten wie het bevel voerde en vroeg duidelijkheid over het precieze operatiegebied, na geruchten dat gezien de overige militaire toezeggingen van Truman een uit te zenden torpedobootjager mogelijk naar Taiwan moest opstomen. Drees stelde als reactie op dit laatste dat de omvang van de Nederlandse bijdrage met zich meebracht dat deze zich beperkte inzake het operatiegebied. Het lag voor de hand dat ‘wat onzerzijds daarheen zal gaan niet op eigen houtje moet ageren’. Operaties moesten plaatsvinden in het verband met marines ‘die de grootste taak hebben te verrichten’ [lees: de USN en de Royal Navy]. Inzake het type operaties, waarover van PvdA-zijde vragen leefden, typeerde de regeringsleider deze als een bescheiden en symbolische bijdrage. De eigen zeestrijdkrachten zouden ‘[…] haar medewerking kunnen verlenen b.v. voor zover betreft waken tegen nieuwe landingen op de kust en de bescherming van konvooien, die hulpmiddelen naar Zuid-Korea vervoeren’. De missie kwalificeerde Drees als hulpverlening op grond van bevoegd VN-gezag, inzet die aan de volkerenorganisatie werd verleend om ‘de waarborgen, waarin het handvest voorziet, tot werkelijkheid te maken’.[viii]
Oliebevoorrading in de Gele Zee, zomer 1950, bezien vanaf Hr.Ms. Evertsen. Links de kruiser HMS Jamaica, rechts de RFA Brown Ranger. Dankzij bekendheid in Europa met Royal Navy-procedures, opereerde de torpedobootjager nabij Korea moeiteloos in het Gemenebest-verband (UK, CAN, AU, NZ) Task Group 95.1, een soort voorloper van SNMG1 (foto: collectie NIMH)
In Den Haag boog de ministerraad zich intussen op 3 juli andermaal over de Koreaanse crisis en de uit te zenden marine-eenheid. Minister-president Drees deelde de overige bewindslieden mee de torpedobootjager Hr.Ms. Evertsen, die in de voormalige kolonie Indonesië was gestationeerd, aan te wijzen voor inzet. Het kabinet ging hier unaniem in mee. Naar aanleiding van toezeggingen hierover aan de Tweede Kamer, beklemtoonde Drees dat de oorlogsbodem enkel voor inzet in Korea en ‘dus niet’ voor bijvoorbeeld Taiwan bedoeld was. Een beperking die evenzeer door sommigen vanuit het departement van Buitenlandse Zaken was bepleit: inzet elders in het Verre Oosten zou de spanningen verhogen en Nederlandse belangen aldaar schaden.[ix]
Wat de bevelvoering van het schip betrof, stond het KM-vaartuig in Korea weliswaar ‘in beginsel’ onder eigen leiding, ‘doch [zou] zich in verbinding stellen met de strijdkrachten van andere mogendheden, in het bijzonder met die van Amerika’. Minister Stikker begreep dat Nederland met deze gemakkelijk te realiseren ‘symbolische’ hulp goede sier zou maken bij de regering in Washington. Ook reageerde de Amerikaanse pers enthousiast. De New York Times uitte bijvoorbeeld in een hoofdartikel loftuitingen aan Nederland. Onder de kop ‘Support from Holland’ stelde de redactie: ‘None has been quicker or more wholehearted in the backing [van de VN-actie] than the Netherlands.’[x]
Gezien de Nederlandse vlootomvang medio 1950, die wat betreft grote bovenwaterschepen één vliegkampschip, twee verouderde lichte kruisers en acht torpedobootjagers en fregatten omvatte, was de inzet in Korea nationaal bezien geenszins symbolisch. De Koninklijke Marine had al (NAVO) verplichtingen als inzet in EASTLANT, de (maritieme) bescherming van overzeese gebiedsdelen en de wereldwijd opererende eigen koopvaardij. De invloedrijke luitenant-admiraal b.d. Helfrich liet zich in de media positief uit over de nakende marine-inzet in Korea. ‘Hier [Korea] kan het Koninkrijk tonen, dat het nog mee kan praten in deze vreemde wereld en dat het de middelen bezit, niet alléén te praten, maar ook te doén. Deze middelen bezitten wij in onze mobiele organen der zeemacht, onder Nederlandse vlag. […] Het is de taak der Vloot, op en over zee de belangen van het Koninkrijk te beveiligen.’ Ook de oud-KM officieren R.E. van Holst Pellekaan en I.C. de Regt stelden in 2003 in een historische studie dat de internationale politieke betekenis van het snel zenden van een oorlogsschip naar Korea voor Den Haag groot was.[xi] Op 19 juli 1950 meldde president Truman in het Amerikaanse Congres namelijk nadrukkelijk dat al vijf VN-lidstaten militaire steun aan Zuid-Korea verleenden: de VS zelf, Groot-Brittannië, Australië, Nieuw-Zeeland én Nederland.[xii]
Commandant Task Group 95.1, de Britse Rear Admiral Sir William G. Andrewes, bezoekt Hr.Ms. Evertsen, najaar 1950. Andrewes, in (interne RN-)rapportages lovend over de KM-inzet in Oost-Azië, werd aanvang 1952 Commander EASTLANT waar hij in NAVO-verband eveneens vergaand positief stond tegenover Nederlandse vlootinbreng (foto: collectie NIMH)
Ondanks deze pluim voor de betrokken landen, nam door het desastreuze strijdverloop op het Koreaanse schiereiland de spanning in Washington toe, gelijk de Amerikaanse druk op de Europese bondgenoten ook troepen te sturen. Waarom zouden immers GI’s sneuvelen in de strijd tegen het Communisme en waarom zou Washington zo veel verplichtingen voor de verdediging van Europa in de NAVO accepteren, als deze bondgenoten in Oost-Azië niet meevochten? De Britten reageerden al snel met de aanbieding van een fors troepencontingent, spoedig gevolgd door enige andere NAVO-lidstaten, waaronder Nederland, dat – gelijk de Belgen en Fransen – in de loop van najaar 1950 een vrijwilligersbataljon op missie stuurde. Bij gebrek aan voldoende gekwalificeerde en fysiek fitte Landmacht-vrijwilligers, werd de Nederlandse eenheid aangevuld met enige mariniers- en vlootreservisten vrijwilligers op groot verlof.[xiii]
Deze Nederlandse reactie maakte naar zeggen van SBN Van Foreest op het State Department een ‘heel pover[e]’ indruk. Hij had dan ook op 10 augustus in Den Haag aangedrongen op de uitzending van een ‘bataljon’ mariniers, te meer daar marines in de VS een grotere populariteit genoten dan landmachteenheden. Verder woog in Van Foreests’ betoog het belang van de KM mee, waarvan het takenpakket, Force Design en het budget op dat moment zowel in de NAVO als in Nederland met vraagtekens omgeven was. Volgens de vlagofficier ‘zouden [wij, de KM,] een schitterend argument hebben, door te bewijzen dat alleen de Nederlandse Marine soldaten kan leveren. Daarbij komt natuurlijk de enorme ervaring tegen een modern uitgeruste vijand die de Mariniers daarbij zouden opdoen en wat ze eveneens een grotere zeggenschap zou geven inzake ’s Lands defensie’. Als opgemerkt besloot het kabinet anders. Vooral gelet op overige dreigingen voor het Koninkrijk overzee (onder andere door Venezuela) kwam het eind augustus uitsluitend tot uitzending van een nog op te zetten KL-vrijwilligersbataljon, en niet dat van een (bijkomende) compagnie zeesoldaten. Van marinezijde verzuchtte plaatsvervangend chef van de Marinestaf KLTZ G. Koudijs gezien de nu minder prominente KM-betrokkenheid bij het Oost-Aziatische conflict, dat genoemde overige overzeese verdedigingstaken voorkwamen, dat ‘we […] 2 jagers méér, en zéker [een] ½ bataljon mariniers, naar Korea kunnen zenden.’[xiv]
Conclusie
Het Nederlandse regeringsbesluit van 29 juni met de (symbolische) uitzending van een marineschip een bijdrage te leveren aan de westerse strijdkrachten in Korea, maakte dat Den Haag zich bescheiden committeerde aan deze VS-geleide enforcement missie. De overweging dat Den Haag niet negatief kon reageren op het verzoek van beschermheer Washington marine-eenheden naar Korea te sturen, in een periode dat een Sovjet-Russische invasie in West-Europa reëel leek, deed het kabinet besluiten een oorlogsschip aan te bieden dat bovendien snel in het conflictgebied aanwezig kon zijn en waarvan de inzet militair-politiek gezien relatief risicoloos was. Daarbij benadrukte de regering dat de eigen rol in het Korea-conflict op papier een VN-optreden betrof. Dit moest voorkomen dat Aziatische landen waar Nederland belangen had (o.a. het neutrale Indonesië en India) de bijdrage te veel vereenzelvigden met Amerikaans beleid. Verder wogen in het uitzendbesluit (handels)belangen in de Pacific mee, en niet te vergeten de eigen rol van voorvechter van internationaal recht. Drees en de zijnen kregen dan ook snel parlementaire steun voor de marinemissie. Mission creep risico’s als de zuigkracht van andere (Amerikaanse) strijdtonelen tegen het communisme in Azië (Taiwan) leken door eigen caveats het hoofd te worden geboden. De KM stond positief tegenover de uitzending. Voor haar woog politiek zeer bruikbaar prestige mee; ze kon ten koste van de overige krijgsmachtdelen goede sier te maken ten tijde van een (inter)nationale discussie over haar takenpakket, Force Design en budget.
Hr.Ms. Van Galen, aflosser van de Evertsen, escorteert het US Navy vliegkampschip USS Sicily nabij Korea, april 1951 (foto: collectie NIMH)
Ook was er in algemenere zin aan KM-zijde sprake van een meer dan symbolische bijdrage: de vloot kende in die dagen een beperkte omvang en had elders zoals in Europa, de noordelijke Atlantische Oceaan en het Caribisch gebied haar taken. Een eveneens door de Admiraliteit omarmde uitzending van (beroeps)mariniers, die in beeld kwam na VS-druk inzake een bijdrage met boots on the ground, strandde. Vooral de noodzaak zeesoldaten in overzeese delen van het Koninkrijk stand-by te hebben was hier debet aan. Een bataljon vrijwilligers, bestaand uit veelal landmacht-reservisten op groot verlof, bood hier soelaas.
Het politiek-strategische oogmerk van de marine-inzet in Korea was voor Den Haag dus allereerst geweest de VS te behagen, die optrad als de beschermheer van het Nederlandse territoir in Europa. Gezien de reacties van de Amerikaanse autoriteiten en media, en latere loftuitingen van USN over de KM-inzet in de oorlog, slaagde deze opzet. Het Witte Huis was daarbij oprecht tevreden: elke bondgenootschappelijke politiek-militaire steun in Korea kon zij gebruiken in debatten met het Amerikaans Congres over verhoging van het defensiebudget, alsook zat de multinationale scheepsmacht aanvankelijk verlegen om inzetmiddelen.[xv]
Nederland diende gelet overig strategisch eigenbelang deze ‘strikt noodzakelijk[e]’ bijstand aan de Amerikaanse strijd tegen het Communisme, tegenover de buitenwacht aan te merken als steun aan VN-optreden. Dit om te voorkomen dat voor Nederland belangrijke neutrale Aziatische landen als Indonesië en India, het Haagse beleid te veel zouden identificeren met Amerikaans denken. Bovendien poetste Nederland met de officieel in VN-context uitgevoerde marinemissie, in binnen- en buitenland zijn status op van voorvechter van zaken als internationaal recht.[xvi]
'Deze gevalstudie lijkt bovenal te bevestigen dat de Nederlandse veiligheid en welvaart, toen en nu, in Indo-Pacific en Atlantic, niet los van elkaar gezien kunnen worden’
De Nederlandse zeestrijdkrachten wisten door hun ruimhartige inzetbereidheid in de Korea-oorlog en getoonde bekendheid met, en afstemming op Angelsaksische marinedoctrines en materieel, het eigen (inter)nationale prestige te verhogen. In Nederland hielp dit om de al goede naam van de marine te vergroten, waardoor de missie er indirect aan bijdroeg het budget voor een nieuwe harmonieuze vloot opererend in vooral NAVO-verband, veilig te stellen. Wat verder hielp, was het gegeven dat het in de oorlog herontdekte belang van grote bovenwaterschepen afstraalde op de Nederlandse inzet alsook het Force Design van de vloot in eigen land.
Bovengaande historische casuïstiek kent parallellen met de aangehaalde huidige discussie inzake de Hoofdtaken 1 en 2 en de relatie inzet Pacific en Europa, en zelfs de Caribische delen van het Koninkrijk. Nationale strategische en politieke belangen als die van de VS-veiligheidsrelatie/territoriale verdediging, opkomen voor de internationale rechtsorde benevens de economische band met de ‘Global South’ passeren zo de revue, maar ook gereedheid en (tijdelijke) presentie in de nabijheid van potentiële crisesgebieden in Oost-Azië. De Korea-casestudy lijkt hiermee aan te sluiten bij de door Bekkering maar ook De Ruiter en Warnar aangehaalde factoren, om Nederland wat betreft krijgsmacht en meer specifiek de KM, de Indo-Pacific niet de rug toe te keren door louter te focussen op Hoofdtaak 1. In 1950 kwamen daarbij al deze elementen tegelijkertijd, als in een perfect storm, samen, maar bracht maritime flexibility ondanks een kleine bovenwatervloot uitkomst met een voor alle partijen, Nederlandse regering, KM, maar ook de VS (en Zuid-Korea) positief resultaat. Deze gevalstudie lijkt zo bovenal te bevestigen dat de Nederlandse veiligheid en welvaart, toen en nu, in Indo-Pacific en Atlantic, niet los van elkaar gezien kunnen worden.
Noten
[i] Ben Bekkering, ‘Grondwet of grondgebied? Zeestrijdkrachten in een turbulente wereld’, Marineblad 135, 1 (2025) 6-13.
[ii] Leidraad maritiem optreden. De bijdrage van het Commando Zeestrijdkrachten aan de Nederlandse krijgsmacht (Den Helder 2005) 13, 47, 193 en Grondslagen van het maritieme optreden. Nederlandse maritiem-militaire doctrine (Den Helder 2014) 67.
[iii] Roy de Ruiter en Henk Warnar, ‘To be or not to be (in the Indo-Pacific) De rol van de Koninklijke Marine in de Oost’, Marineblad 135, 1 (2025) 14-19.
[iv] Anselm J. van der Peet, Out-of-area. De KM en multinationale vlootoperaties 1945-2001 (Franeker 2016) 199.
[v] Van der Peet, Out-of-area, 199.
[vi] Idem, 200-201.
[vii] Idem, 200-201.
[viii] Idem, 202.
[ix] Idem, 203.
[x] Idem, 204.
[xi]R.E. van Holst Pellekaan en I.C. de Regt, Operaties in de Oost. De KM in de Indische Archipel (1945-1951) (Amsterdam 2003) 338.
[xii] Van der Peet, Out-of-area, 204-205.
[xiii] Idem, 205-206.
[xiv] Idem, 208-209.
[xv] Idem, 210.
[xvi] Idem, 253.
Gerelateerd
Hoe de Koninklijke Marine aan de nieuwe generatie Anti-Submarine Warfare werkt
Door de toegenomen Russische dreiging op de Noord-Atlantische Oceaan moderniseert Defensie met de introductie van het nieuwe ASW-fregat. De…
'Maximaliseren van gevechtskracht!'
'Ben je meer van boven water, dan is mijn credo start je carrière bij de Mijnendienst, ga vervolgens varen bij GBW en maak daarna…
Het Future Maritime Operating Concept
De behoefte aan het zogenoemde Future Maritime Operating Concept (FMOC) ontstond enerzijds om in discussies over de Strategie- en…

