Aemilia
De bouw van een trots schip
Wie bekend is met de maritieme geschiedenis van Nederland in de zeventiende eeuw, weet dat de zeemacht in die periode enkele beroemde schepen kende. Veelal robuuste oorlogsbodems die meerdere zeeslagen doorstonden en onderdak verleenden aan illustere zeehelden. Goede voorbeelden daarvan zijn de Brederode, De Zeven Provinciën, Prins Willem, Eendracht, Gouden Leeuw en Aemilia. De carrière van laatstgenoemde is indrukwekkend.
De Aemilia. Penseel in grijs en potlood door Willem van de Velde de Jonge naar Willem van de Velde de Oude (collectie Bijmans van Beuningen)
Hoe zag de levensloop van de Aemilia, ook wel Emilia, Amalia of Prinses Aemilia, er eigenlijk uit? Jan Salomonszoon van den Tempel, die als een zeer kundige scheepsbouwer bekend stond, was verantwoordelijk voor de bouw van de Aemilia. Hij werkte voor de Admiraliteit van de Maze en voor de Staatse vloot. Nederlandse scheepsbouwers stonden goed bekend. Kundig, ter zake doende en efficiënt. Het vak van scheepstimmerman ging van meester op knecht over. Er bestond geen opleiding voor en het was de gewoonte om niets aan het papier toe te vertrouwen. Van den Tempel, geboren in een voornaam geslacht van scheepbouwers, deed alles uit zijn hoofd en bezat van nature het juiste gevoel voor verhoudingen. Groot nadeel van die gewoonte was dat innovaties slechts mondjesmaat werden doorgevoerd. Iets veranderen stond gelijk aan het kleuren buiten de traditionele krijtlijnen en dat gebeurde niet snel. Iedere scheepsbouwer hanteerde eigen afmetingen, zodat geen schip gelijk was aan een ander. Wat vaststond was dat de romp niet te smal mocht zijn zodat genoeg ruimte overbleef voor een nauwkeurig afgemeten hoeveelheid victualie. Het vasthouden aan traditionele waarden in de scheepsbouw maakte dat Nederland achterliep ten opzichte van het buitenland. Zo was Duinkerken veel verder in het ontwikkelen van snellere schepen.
Duinkerker kaperschepen waren geavanceerder en wendbaarder dan Nederlandse oorlogsbodems. Tromp weigerde zich bij die achterstand neer te leggen en liet buitgemaakte kaperschepen van boven tot onder inspecteren en bestuderen. Hij wilde tot in detail weten hoe de constructie in elkaar zat en waar die precies afweek van de bouw van Nederlandse oorlogsbodems. Grondig onderzoek leverde nieuwe inzichten op. Schepen uit Duinkerken hadden geen rijzige voor- of achterkastelen meer. Hun rompen waren verlengd en versmald. Daarnaast beschikten zij over roeifaciliteiten, waardoor tijdens windstilte gestaag kon worden doorgevaren. De ingrepen verhoogden de snelheid, maar kenden ook nadelen waaronder het aan boord nemen van kleinere hoeveelheden victualie. Het hebben van een kleinere voorraad eten en drinken betekende een korter verblijf op zee en zorgde voor geringere ballast waardoor het schip minder stabiel was. Tromp wilde innovaties doorvoeren in de bouwconstructie, maar dat ging niet vanzelf. Hij stuitte op vastgeroeste gewoonten en dat frustreerde hem zeer. Aangezien Tromp op een minuut afstand van de twee admiraliteitswerven in Rotterdam woonde, was hij bijna dagelijks op de werkvloer te vinden. Hij besteedde veel aandacht aan contact met de scheepsbouwers, sprak met de werklieden en werkte intensief met hen samen. Zijn authenticiteit dwong bewondering af en zorgde voor wederzijds respect. Stapje voor stapje won hij hun vertrouwen en constateerde vol genoegen dat de bedrijfstak bloeide. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat waren werklieden op de werf actief. Het was een komen en gaan van mensen. Naast de werklui brachten zeelieden, scheepsbouwers, kooplieden, onderofficieren en officieren met regelmaat een bezoek aan de Rotterdamse admiraliteitswerf.
Aemilia. Olieverf op doek door Adam Willaerts, 1693 (collectie Het Scheepvaartmuseum. Met dank aan Bijl-Van Urk Old Masterpaintings, Alkmaar
Jan Salomonszoon van de Tempel rolde als scheepstimmerman het vak in. Hij ontwierp schepen, had succes en klom op tot bouwmeester. Het beroemdste schip waaraan hij werkte was De Zeven Provinciën. Met de bouw van de Aemilia, in de periode 1632-1634, stak Van den Tempel met kop en schouders boven zijn collega's uit. In de Scheepmakershaven in Rotterdam waren twee werven van de Admiraliteit gevestigd. Deze waren in 1613 langs de Maas aangelegd en liepen via een brede gracht van de Leuvehaven naar de Wijnhaven. Op die plek werd de kiel voor de Aemilia gelegd. In de tweede helft van 1632 ging zij te water, waarna de afbouw van start ging. In 1634 kwam het schip gereed. Van den Tempel was trots, hield zijn creatie nauwlettend in de gaten en onderwierp haar bij het minste geringste aan minutieuze inspecties. De Aemilia was immers als vlaggenschip bedoeld en moest aan de hoogste eisen voldoen. Nadat de luitenant-admiraal Filips van Dorp in 1637 zijn ontslag had gekregen, deed de Aemilia vanaf 1639 dienst als vlaggenschip van Maarten Tromp met Barent Barentszoon Craner als kapitein. Het aantal kanonnen nam toe van 54 naar 57. De Aemilia was opgebouwd uit hout dat timmerlieden bij elkaar hadden gezocht op de houtmarkten van Dordrecht en Amsterdam. Het hout, afkomstig uit het Zwarte Woud en het zuiden van Noorwegen, werd met strengheid gekeurd. Zij onderwierpen de stammen aan nauwkeurig onderzoek op rechtheid, knoesten, dikten en zwakke plekken. In Nederlandse oorlogsschepen zat materiaal verwerkt uit de bossen van meerdere Europese landen. Scheepsbouwmeesters selecteerden de houtdelen nauwkeurig, waarna zij werden omgevormd tot onderdelen van het schip. Op het wulf, het hol gebogen dwarsscheeps gedeelte van het achterschip, gelegen tussen het hakkebord en de spiegel, stond Aemilia geschilderd. Het schilderen van de scheepsnaam op de spiegel was gewoon op de Rotterdamse admiraliteitswerven, maar kende buiten de stad geen navolging. Nadat Filips van Dorp was ontslagen en Tromp hem opvolgde, werd besloten de schepen te professionaliseren. Dat was noodzakelijk omdat Van Dorp de vloot stevig had verwaarloosd. Tromp bestelde schepen die tien meter korter waren dan de Aemilia, maar waarvan de wijze van bouw identiek was.
'Het hout, afkomstig uit het Zwarte Woud en het zuiden van Noorwegen, werd met strengheid gekeurd'
Eerst werd de kielbalk gelegd, die bestond uit drie aan elkaar verbonden sterke stukken hout en eindigde in de voorsteven. Een balk van dezelfde dikte krulde in een kwart van een cirkel omhoog. Aan de achterkant plaatsten de bouwers de achtersteven, die leek op een vork met een lange steel met slechts twee tanden. De steel was de positie waar het hakkebord een plek zou krijgen. En als de kiel, de ruggengraat van het schip, eenmaal lag dan was de basis gereed en de tijd rijp om bier te drinken. Vergelijk het met het bereiken van het hoogste punt van een huis (het pannenbier). Na de kielbalk volgden de spanten, de fokkemast en de grote mast. De spanten werden met scheepsgangen bekleed. In de scheepsbouw van de 17e eeuw bestonden twee bouwmethoden. In Amsterdam werd eerst de scheepshuid geplaatst, waarna de spanten volgden. Op werven buiten Amsterdam werden veelal eerst de spanten opgezet, waarna de scheepshuid volgde. Dat was een wezenlijk verschil. De Aemilia werd volgens de tweede methode gebouwd. Eerst de spanten en daarna de huidgangen. De eerste methode werd uitvoerig door Nicolaas Witsen beschreven. Zijn methode werd schaal-bouw of shell-first genoemd. De tweede methode werd als frame-first betiteld. Tijdens de bouw van de Aemilia volgde Van den Tempel zijn eigen weg. Hij bouwde, zoals aan de Maas de gewoonte was, volgens de frame-first methode en bepaalde zelf de lengte, de wijdte en de holte van het schip. Daarbij hield Van den Tempel zich aan de richtlijnen die golden voor de opbouw van het bovenschip, dat vlakker was. Verder waren de lichtere constructie, doorlopende dekken van voor- naar achtersteven en een slankere romp door een grotere lengte in verhouding tot de lengte belangrijk. Vooral dat laatste had veel te maken met het verhogen van de snelheid van het schip dat de aanduiding 'fregattering' kreeg.
Maarten Harpertszoon Tromp. Olieverf op paneel, anoniem (collectie Marinemuseum)
Tweede armada, koninklijke opdrachten en Duinkerken
In eerste instantie voer admiraal Filips II van Dorp op de Aemilia, maar wegens onvermogen nam luitenant-admiraal Maarten Tromp zijn plek op 29 oktober 1637 over. Na succesvolle acties tegen Duinkerker kapers concentreerde Tromp zich op de Tweede Spaanse Armada die onder bevel stond van de onsympathieke admiraal en mannetjeskerel don Antonio de Oquendo. Na een kat en muisspel besloot Tromp op 21 oktober 1639 de strijd met Oquendo aan te gaan en bracht de Armada een vernietigende nederlaag toe. Daarna volgden enkele koninklijke opdrachten. Tromp begeleidde Willem van Nassau, de zoon van Frederik Hendrik naar Engeland, naar Engeland om kennis te maken met zijn aanstaande bruid Maria Henriëtte Stuart, de oudste dochter van de Engelse koning Karel I. In 1642 begeleidde Tromp Henriëtta Maria van Frankrijk, de vrouw van de Engelse koning Karel I, en haar dochter Maria Henriëtte Stuart, vanuit Engeland naar Nederland en weer terug. Op 8 februari 1645 meldde Tromp zich met de Aemilia bij Duinkerken dat door de Fransen was belegerd, waarna het kapersnest zich op 11 oktober overgaf.
Maarten Tromp vlak voor de zeeslag bij Duins, 1639. Ingekleurde lithografie door Charles Rochussen, 1877 (collectie Rijksmuseum)
Het einde van een trots schip
In 1647 zat de levensduur van de Aemilia er bijna op. Zij lekte aan alle kanten en omdat Tromp het schip lief had, pleitte hij opnieuw voor een algehele opknapbeurt ter waarde van 15.000 gulden. Dat was een enorm bedrag in die tijd en het schip niet meer waard. Desondanks ging de Rotterdamse admiraliteit akkoord, maar de Staten-Generaal niet. Delen van de grote mast gingen naar de Sint Laurenskerk in Rotterdam om het zware orgel in de kerk te stutten. Op 23 mei 1647 veranderde Tromp van tactiek en stelde voor de Aemilia in de verkoop te doen en van de opbrengst een nieuw schip te laten bouwen. Filips van Dorp, die meende dat het bouwen van een nieuw schip onwenselijk was, viel tegen hem uit en schreeuwde dat hij liever zag dat Tromp met de Aemilia ten onder zou gaan. Aangezien de kosten de baten al lang niet meer dekten, wilden de Staten-Generaal definitief van de Aemilia af en zetten haar te koop. Al snel ging zij voor een aanvaardbaar bedrag op de Amsterdamse koopman Pieter Trip over, die het schip in juni 1651 aan de Fransen doorverkocht. De Aemilia, vernoemd naar de vrouw van Frederik Hendrik, Amalia van Solms, deed in 1647 eerloos en gedwongen dienst als kaperschip op de Middellandse Zee. Dat het schip naar de vrouw van Frederik Hendrik was vernoemd kwam duidelijk tot uiting op het hakkebord of bovenspiegel. Daar was het wapen van Frederik Hendrik van Oranje-Nassau afgebeeld en dat wapen zorgde voor de verbinding met zijn echtgenote. Frederik Hendrik was in zijn hoedanigheid van stadhouder opperbevelhebber van de oorlogsvloot en droeg de rang van admiraal-generaal. Aan weerszijden van het hakkebord sierden figuren met bazuinen die de loftrompet staken over Amalia van Solms. Onder het wapen van de stadhouder liep een doorlopende galerij die eveneens van een wapen was voorzien. Daaronder stond dus op de wulf Aemilia geschilderd. Het eens zo trotse vlaggenschip viel in handen van twee Spaanse oorlogsschepen, die haar als prijs naar Napels versleepten. Een roemloos einde van een markant oorlogsschip met een indrukwekkende carrière en rijke geschiedenis. Al dobberend aan de havenkade kwijnde de Aemilia weg en doofde haar levenslicht.
Gerelateerd
'Verblijven in de afgrond van de hel!'
In het Nationaal Archief te Den Haag zijn de werfboeken van Harlingen daterend tussen 1798-1808 te vinden. Dit archiefmateriaal is voor dit…
Het leven van een marnier-arts tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog
In de Normandische havenstad Cherbourg koopt eerste luitenant-vlieger Frans Lutz zijn eerste dagboek. De 28-jarige vlieginstructeur van de…
Nederlanders aan boord van Hitlers vlaggenship
Tenminste 35 Nederlandse dienstvrijwilligers werden – als enige niet-Duitsers – op Hitlers vlaggenschip de Tirpitz geplaatst. Wie waren…

