De dienstplicht

Proefballonnetje, of een plan voor de verdediging van Nederland?

Recent verscheen het pamflet ‘Bouwen aan een weerbare Samenleving’ onder leiding van Derk Boswijk (CDA). Een van de belangrijke punten hierin, is de activering van de opkomstplicht. Voor mij is dit een mooie aanleiding om u mee te nemen in het verleden en mijn overpeinzingen over dit onderwerp.

 

 

In mijn colleges stel ik regelmatig de vraag waarom de dienstplicht in Nederland is afgeschaft. Het eerste antwoord is dan steevast – en u raadt het al – dat deze helemaal niet is afgeschaft maar enkel is opgeschort. Een belangrijk verschil, temeer het in 1993 daadwerkelijk een nuance was, die het uiteindelijk mogelijk maakte dat Nederland het tweede land was dat na de val van de muur overging tot een professioneel leger. De verwachting was toen dat de transitie tot 1998 zou duren. Uiteindelijk zwaaiden de laatste dienstplichtigen al in 1996 af. Toenmalig Minister van Defensie, Joris Voorhoeve, gaf aan hen een Walkman in camouflagekleuren cadeau en daarmee leek een hoofdstuk in de vaderlandse geschiedenis te zijn afgesloten dat met name tijdens de Koude Oorlog breed werd gedragen.

De tweede vraag die ik dan stel is wat volgens de studenten – meestal militairen – de oorzaak voor deze keuze was, die uiteindelijk voor de krijgsmacht grote consequenties had. Het eerste antwoord is dan steevast – en u raadt het al – geld. Het innen van het vredesdividend deed deze keuze maken. Een ander vaak gehoord antwoord is de val van de muur zelf en de daarmee wegvallende dreiging uit het Oosten. Een enkeling weet nog te vermelden dat er zoiets als sociale ongelijkheid ontstond doordat nog maar een klein deel van de mannelijke bevolking opkwam voor zijn nummer. Als ik het aan Chat-GPT vraag, dan weet het systeem me te vertellen dat ‘er een groeiende erkenning voor individuele keuzevrijheid en gelijke kansen voor alle burgers ontstond, ongeacht geslacht of achtergrond. De opschorting van de dienstplicht reflecteerde deze veranderingen en erkende dat verplichte militaire dienst niet langer geschikt was voor een moderne samenleving. Al met al werd de opschorting van de dienstplicht gezien als een stap naar een meer eigentijdse en inclusieve benadering van nationale veiligheid en individuele vrijheid in Nederland.’ Ik vind dat mooi verwoord.

'In 2001-2003 had ik het voorrecht en genoegen met veel van de betrokken actoren te praten over hun beweegredenen al dan niet aan de dienstplicht vast te houden'

Ik vraag me wel af, of dit daadwerkelijk de redenen waren. In 2001-2003 had ik het voorrecht en genoegen met veel van de betrokken actoren te praten over hun beweegredenen al dan niet aan de dienstplicht vast te houden. Dat iemand tegen me zei dat ‘gelijke kansen voor alle burgers, ongeacht geslacht of achtergrond’ een rol speelde kan ik me niet herinneren. Nu wordt Chat-GPT regelmatig ervan beticht dat het geen actieve herinnering heeft aan bepaalde gebeurtenissen en dat het de plank weleens misslaat. Volgens mij dus ook in deze.

Op weg naar een nieuwe krijgsmacht

Uiteindelijk werd de dienstplicht opgeschort vanwege een combinatie van genoemde factoren, maar ook omdat sommige actoren, die bij de besluitvorming betrokken waren, een duidelijk plan hadden. Jacques de Winter, toen plv directeur bij de Directie Algemene Beleidszaken (DAB), had voor de minister van Defensie Relus ter Beek een tienpuntenplan geschreven dat de contouren voor de nieuwe krijgsmacht schetste. Ter Beek was na het verschijnen van de Defensienota 1991 meer en meer ervan doordrongen dat Nederland een expeditionaire krijgsmacht nodig had, die overal ter wereld bijdraagt aan vrede en stabiliteit. Doorslaggevend was zijn bezoek aan Cambodja, waar hij zag hoe mariniers, die onder eenvoudige omstandigheden in het oerwoud zaten, bijdroegen aan de VN-vredesmissie UNTAC. Tegelijkertijd was het voor de Landmacht moeilijk om voldoende vrijwilligers te vinden voor een geneeskundige compagnie voor dezelfde missie. 

Dit bevestigde het beeld dat Ter Beek al eerder had, namelijk dat van een terughoudende Landmacht. Dit ging zo ver dat toenmalig CLAS luitenant-generaal Wilmink elk toekomstscenario zonder dienstplicht nadrukkelijk had uitgesloten. Hij vreesde dat, indien zoiets eenmaal op papier kwam, het bij de beleidsmakers in Den Haag aantrekkelijk kon worden om de dienstplicht af te schaffen. Ter Beek had zozeer genoeg van deze tactische spelletjes dat hij niet eens meer met de landmachttop in gesprek wilde gaan: ‘Ik kende hun argumenten (…). Ik was verbaasd dat ik tegen de generaals durfde in te gaan, maar na zo een lange tijd op het ministerie wist ik een hoop (…). De generaals moesten beseffen dat de tijden waren veranderd.”[i]

Ter Beek presenteerde zijn tienpuntenplan op 31 maart 1992. Pas enkele minuten voor de toespraak veranderde de minister nog de frasering met betrekking tot de afschaffing dienstplicht. Daar waar het origineel nog repte over een ‘serieuze overweging’ maakte de minister daar ‘mogelijk rekening houden met’ van. Hoe dan ook, hij verraste daarmee vriend en vijand. De voorzitter van de commissie Dienstplicht 1991, Wim Meijer, een partijvriend van Ter Beek, wist van niets en voelde het werk van de commissie tenietgedaan. Minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek wist ook van niets. Ondanks de commotie bereikte Ter Beek met zijn toespraak exact wat hij en de DAB wilden bereiken: Ter Beek trok de Prioriteitennota 1993 naar zich toe. Dat uiteindelijk de dienstplicht in Nederland zou worden opgeschort werd daadwerkelijk pas na de toespraak duidelijk. Ter Beek zat ermee enorm in zijn maag, maar uiteindelijk gaf zijn visie van de toekomstige krijgsmacht samen met de sociale ongelijkheid de doorslag.

Meer dan een proefballon of enkel voor de bühne?

Ter Beek was dus in staat het politieke proces naar zijn hand te zetten omdat hij een duidelijk plan had. En dat is wat ik vandaag de dag mis als we het over de reactivering van de dienstplicht hebben. Te vaak worden proefballonnetje opgelaten over dit onderwerp, zonder dat men de moeite neemt om van het onderwerp serieus werk te maken. Of men komt wel met serieuze plannen, maar gebruikt men de dienstplicht voor oneigenlijke doeleinden. Het CDA-pamflet lijkt voor het eerst in lange tijd een concreter plan te zijn. Volgens dit rapport is de gevechtsbereidheid in Nederland vergeleken met de Scandinavische landen vrij laag. Maar 46,7% van de bevolking is bereid voor het vaderland te vechten, vergeleken met cijfers ruim boven de 70 in Scandinavië. Saillant detail: een recent overzicht in The Economist laat zien dat van de Nederlanders die willen vechten de aanhangers van het CDA met kop en schouders erboven uitsteken, bijna 70%. Ik hoop dan ook dat de plannen van het CDA serieus zijn en niet enkel voor de bühne.

'Het plan van het CDA lijkt vooral een plan om aan een samenleving te werken die zo nooit heeft bestaan, of om met name maatschappelijke problemen het hoofd te bieden'

Ik ben echter bang dat het dit laatste is. Dit wordt bevestigd door de oproep tot een maatschappelijke dienstplicht. De dienstplicht is in eerste plaats voor de verdediging van het land en een stapsgewijze invoering ervan – ook om de vulling met 20.000 reservisten tot 2035 te bereiken – juich ik toe. Toen ik in 2010 een van de experts was die met de Duitse commissie voor de hervorming van de Bundeswehr sprak, adviseerde ik om serieus na te denken om de dienstplicht in Duitsland op te schorten. Te weinig jonge mannen werden nog opgeroepen, militair viel weinig te leren omdat de beste (onder)officieren in o.a. Afghanistan zaten; omdat er weinig materieel was om een grote groep op te leiden; omdat degenen die wel opkomen niet gemotiveerd worden door koffiezetten en omdat de dienstplicht weliswaar een sociale functie heeft, maar allereerst een militair instrument is. Ja, het is ook ooit ontstaan om de liefde voor het vaderland aan te wakkeren (Rousseau), maar was toch vooral bedacht om voldoende kanonnenvoer te leveren voor oorlogen (Napoleon, Wilhelm II, of Hitler), of juist het vaderland te verdedigen. Terwijl ik deze column schrijf, heeft de Oekraïense president Zelensky de dienstplichtleeftijd verlaagd.

In het plan van het CDA staan meer interessante punten, zoals het bevorderen van weerbaarheid. Andere punten, zoals de bescherming burgerbevolking (BBB) en de reeds genoemde maatschappelijke dienstplicht ademen te veel de geest van de vijftiger jaren. Relus ter Beek was succesvol, omdat zijn plannen voor de toekomst zowel de internationale situatie als het sentiment van de bevolking weerspiegelden. Het plan van het CDA lijkt vooral een plan om aan een samenleving te werken die zo nooit heeft bestaan, of om met name maatschappelijke problemen het hoofd te bieden. Daarnaast mis ik concrete getallen. Een herinvoering vraagt tijd en aandacht van de krijgsmacht en uiteindelijk veel geld. Hierover, over de financiering van de BBB of misschien zelfs een serieuze reserve, is in het pamflet niets te vinden. Is het dan toch het zoveelste proefballonnetje?

 

[i] J. Noll (2005) “Leadership and Institutional Reform in Consensual Democracies: Dutch and Swedish Defence Organizations after the Cold War”, Göttingen: Cuvellier, p. 84 eigen vertaling.

 

Meer gastcolumns van Jörg Noll

 

Dr. J.E. (Jörg) Noll (1967) is politicoloog en luitenant-kolonel (r) bij de Bundeswehr. Sinds 2007 is hij universitair hoofddocent Internationale Conflictstudies aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA).

 

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave