Staat zij haar mannetje?
Een officier MARVA der 2e klasse oudste categorie, 1961 (Collectie NIMH)

Staat zij haar mannetje?

De vertegenwoordiging van vrouwen in de geschiedenis van de Nederlandse krijgsmacht

2024 markeert tachtig jaar sinds vrouwen worden toegelaten tot de Nederlandse krijgsmacht. Dankzij de oprichting van verschillende toegewijde korpsen, zoals het Vrouwen Hulpkorps (VHK) en de Marine Vrouwenafdeling (MARVA), konden vrouwen zich tijdens de Tweede Wereldoorlog inzetten voor hun vaderland. Hoewel het in beginsel vooral ondersteunde taken betrof, maakten zij de weg vrij voor de vele vrouwen die hierna militair zouden worden.

 

De geschiedenis van vrouwen in de Nederlandse krijgsmacht is in de afgelopen decennia veelvuldig vastgelegd in diverse publicaties, maar een terugkomend probleem van hun informatieve inhoud, is dat zij gedateerd dan wel slecht toegankelijk zijn. Voorliggend artikel heeft daarom als hoofddoel om een overzicht te geven van de geschiedenis van vrouwen in de Koninklijke Marine. Een bijkomende vraag die dit artikel daarnaast behandelt is of deze verhalen over vrouwen in uniform ook traceerbaar zijn op de plaatsen waar de geschiedenis van de krijgsmacht het meest tastbaar wordt voor een groot publiek, namelijk in musea. Nederland telt verschillende musea die aandacht besteden aan de algehele nationale geschiedenis inzake conflicten en oorlogsvoering, maar er zijn er ook die zich specifiek richten op de Nederlandse krijgsmachtdelen. Zo is er de Stichting Koninklijke Defensiemusea, bestaande uit de volgende vier (voormalige) vestigingen: het Marinemuseum te Den Helder, het Mariniersmuseum te Rotterdam, het Nationaal Militair Museum te Soesterberg en het in december 2023 gesloten Marechausseemuseum te Buren. De vele honderden objecten en verhalen geven de bezoeker een inkijkje in de werking van de krijgsmacht, maar maken het publiek ook bewust van de gevolgen van conflict en geweld. Tot voor kort bleef onderzoek naar de manier waarop vrouwen in de historie van de krijgsmacht een plaats krijgen in musea nagenoeg achterwege. Dit artikel wil daarom naast het geven van een overzicht van de geschiedenis van vrouwen in dienst van de krijgsmacht, gelet op de doelgroep van het Marineblad, een korte impressie geven van plaatsen in het Marinemuseum waar de feminiene inbreng in de zeestrijdkrachten te vinden is.

Pioniers

Tot en met de Eerste Wereldoorlog (WOI) (1914-1918) waren de mogelijkheden in Nederland voor vrouwen om toe te treden tot de eigen krijgsmacht vrij beperkt, dan wel onmogelijk. Vrouwen konden zich voor 1914 wel aanmelden bij het Rode Kruis, waar zij als verpleegsters in onder meer militaire hospitalen werden ingezet.[i] Met het uitbreken van WOI zouden kleine aantallen Nederlandse vrouwen in het buitenland vrijwillig dienstdoen aan het Europese Westfront. In het neutrale Nederland oefenden vrouwen vooral functies uit ter ondersteuning van de krijgsmacht of in de omgeving daarvan. Ze bleven in die jaren vooral uitzonderingen. De eerste feministische golf zou in deze periode - naast het algemeen kiesrecht voor vrouwen in 1919 - nog niet genoeg teweegbrengen om hen ingang te laten krijgen tot de krijgsmacht. Wel waren kleine veranderingen zichtbaar in de arbeidsverdeling waardoor gehuwde en ongehuwde vrouwen onder meer in fabrieken en op kantoren konden werken.[ii] De Landstormbeschikking van 1922 bracht vrouwen een stapje dichter bij de mogelijkheid toe te treden tot de krijgsmacht. Zij mochten dankzij deze beschikking dienst nemen in de Vrijwillige Landstorm. Deze was tijdens WOI opgericht en bestond uit mannen die zich op vrijwillige basis wilden inzetten voor de verdediging van Nederland. Een handleiding uit 1927 benoemt dat vrouwen toegang hadden tot een verbintenis bij de Vrijwillige Landstormkorpsen Motordienst, Vaartuigendienst, Spoorwegdienst en Luchtwachtdienst. Ondanks de vrijwillige basis van het lidmaatschap, waren vrouwen wel verplicht in totaal 50 uur per jaar deel te nemen aan oefeningen, of deze uren te vervangen voor andere diensten indien de inspecteur van het korps dit nodig achtte. Zij bleven echter wel te allen tijde in ongewapende dienst.[iii]

‘De Landstormbeschikking van 1922 bracht vrouwen een stapje dichter bij de mogelijkheid toe te treden tot de krijgsmacht’

Naast de oprichting van de Vrijwillige Landstorm, ontstonden er tijdens het interbellum (1918-1939) ook verschillende op hulp bij calamiteiten geënte vrouwenorganisaties. Zo was er vanaf 1938 het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers (KVV) en de Vrijwillige Vrouwen Hulpdienst (VVH) die zich in tijden van een nationale crisis, ramp of oorlog beschikbaar zouden stellen voor maatschappelijk werk. Leden van het KVV droegen tijdens hun werkzaamheden een uniform, die van de VVH enkel een band om de arm. Beide vrijwillige instellingen waren, ondanks het KVV-uniform, geen militaire organisaties. Wel zouden zij assistentie verlenen tijdens de Duitse inval in de meidagen van 1940. Ruim een jaar later, in 1941, werden er buiten het bezette Nederland meer concrete stappen gezet door de commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië Conrad Helfrich met de oprichting van een vrouwenkorps voor de Koninklijke Marine. Aldaar werd uiteindelijk op 13 december 1941 de Vrouwen Organisatie der Marine (VROMAR) opgericht. Dit betrof opnieuw ondersteunende werkzaamheden waarbij de vrouwen tevens hun burgerstatus behielden. Lang heeft dit overzeese vrouwenkorps niet bestaan aangezien alle vrouwenorganisaties in Nederlands-Indië na de capitulatie van Java in 1942 werden opgeheven of verboden door de Japanse bezetter.[iv]

Deelname van de Koninklijke Marine aan de N.V.J.-Mars.Een compagnie MARVA’s neemt deel aan een afstandsmars van het Nationaal Jongeren Verbond, 1949 (Collectie NIMH)

‘Maak een man vrij voor de vloot’

Nu het voor de vrouwenorganisaties in Nederland en Nederlands-Indië niet meer mogelijk was hun werkzaamheden uit te voeren, moest er hulp uit een andere hoek komen. In Groot-Brittannië was de ‘Bond van Nederlandse Vrouwen in Groot-Brittannië’ opgericht, die zich zou inzetten voor de oprichting van een vrouwenkorps. Mede dankzij het initiatief van de Bond stemde de Nederlandse regering in ballingschap in Londen in met de plannen en werd bij Koninklijk Besluit op 20 december 1943 het Vrouwen Hulpkorps opgericht. Een jaar later zag in Australië het Vrouwenkorps van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger het licht.[v] Met de oprichting van een vrouwenkorps binnen de landmacht en het KNIL, ontstond ook opnieuw de wens een soortgelijk korps op te richten voor de Koninklijke Marine. Er was in 1944 nog steeds een dringende behoefte aan marinepersoneel voor operationele maritieme eenheden en er moest snel een vrouwelijke marine afdeling komen. Voor de oprichting hiervan werd inspiratie opgedaan bij de Britse Women’s Royal Naval Service (WRNS). De Royal Navy had namelijk al sinds de Eerste Wereldoorlog ervaring met vrouwelijk marinepersoneel. Toch leefden er bij sommigen bezwaren tegen de oprichting van een marine vrouwenafdeling. Aangezien de WRNS als voorbeeld werd genomen, leefde de veronderstelling dat het vrouwelijk personeel gemilitariseerd werd en er een bijbehorend salaris- en rangenstelsel kwam. Tegenstanders vonden vrouwen in uniform te duur, onverantwoord en mogelijk zelfs gevaarlijk, zeker in oorlogstijd. Minister van marine en bevelhebber der Zeestrijdkrachten luitenant-admiraal Johan Furstner hield echter voet bij stuk; hij zag namelijk grote voordelen in de oprichting van het vrouwenkorps. Op deze manier konden meer mannen vrijgemaakt worden voor militair-operationele taken en zouden vrouwen huishoudelijke en administratieve diensten overnemen waar zij bij uitstek geschikt voor waren, aldus de vlagofficier. Ondanks aanhoudende kritiek en andere obstakels, kwam het uiteindelijk bij Koninklijk Besluit op 31 oktober 1944 tot de oprichting van de Marine Vrouwenafdeling (MARVA). De aanstaande MARVA’s werden in beginsel in Groot-Brittannië opgeleid bij de WRNS en zouden vervolgens ongewapende militaire diensten uitvoeren binnen de Koninklijke Marine Reserve. De uiteindelijke daadwerkelijke inzet van de MARVA liet op zich wachten tot na de bevrijding van Nederland in mei 1945.[vi]

MARVA na WOII

Na de Tweede Wereldoorlog stond de toekomst van de vrouwenkorpsen nog altijd voor enige tijd ter discussie. Er waren vragen over het nut en de bijgaande kosten. Toch bleven ze bestaan. Medio jaren vijftig waren dit er drie: twee nieuwgevormden, de MILVA (Militaire Vrouwenafdeling) en de LUVA (Luchtmacht Vrouwenafdeling), alsook de eerdergenoemde MARVA. Uiteindelijk hadden deze alle drie een militaire status binnen elk van de toenmalige krijgsmachtonderdelen. Wel waren er aparte rechtspositionele regelingen van kracht inzake toelatingseisen, selectie, opleiding, huisvesting, bevordering en het einde van het dienstverband.[vii] Na 1953 zou hier langzaam verandering in te komen met de komst van het door de Verenigde Naties opgestelde Verdrag van New York. Artikel III van dit verdrag luidt: ‘Vrouwen zijn gerechtigd op gelijke voet met mannen een overheidsambt te bekleden en alle ingevolge de nationale wetgeving ingestelde overheidsbetrekkingen te vervullen, en wel zonder enig onderscheid’.[viii] De ratificatie en in werking treden van het verdrag zou in Nederland echter nog vele jaren in beslag nemen.

Mientjes3Twee MARVA’s met op de achtergrond Hr.Ms. Schorpioen (collectie NIMH)

Met het aanbreken van de jaren zestig kreeg de gehele krijgsmacht te maken met verschillende bezuinigingen; die raakten ook de vrouwenkorpsen. Dit uitte zich bijvoorbeeld in de kwaliteit van de huisvesting. Vanaf 1951 was het voormalig ramtorenschip Hr.Ms. Schorpioen aangewezen als logementschip. Het vaartuig, al in 1868 in dienst gesteld, had volgens het MARVA-personeel de nodige gebreken. De vrouwen klaagden over de smalle gangen en ook de hutten waren klein en weinig sfeervol. Met toestemming van de commandant mochten zij de hutten naar hun smaak inrichten.[ix] Tegenwoordig kunnen bezoekers aan het Marinemuseum aan boord van de daar afgemeerde Schorpioen een goede indruk krijgen van een zogeheten ‘MARVA-hut’. Het schip is sinds 1998 omgedoopt tot museumschip en toont nu verschillende hutten zoals deze in de late negentiende eeuw waren ingericht. Het verhaal van de MARVA kon echter niet ontbreken en op verzoek van MARVA luitenant-ter-zee der 2e klasse oudste klasse, Mas C. Massizzo en andere oud-MARVA’s namens Vereniging Ex-Act van ex- en actief dienende vrouwelijke militairen der Koninklijke Marine (MARVA)’, werd een van de onderkomens ingericht als MARVA-hut. Massizzo maakte in 1966 wereldnieuws toen zij werd benoemd tot commandant waarmee ze wereldwijd de eerste vrouwelijke commandant van een marineschip werd.[x] Het museumvaartuig toont naast de slaapplaats, verschillende door Massizzo geschonken objecten, zoals een jas en hoed van een hoofdofficier MARVA 2. De bezoeker leest bij de hut kort over de geschiedenis van de vrouwelijke marine-eenheid en dat deze ruimte symbool staat voor de aanwezigheid van de MARVA aan boord van de Schorpioen. Benedendeks kunnen bezoekers verder lezen over de geschiedenis van de Schorpioen alsook de MARVA.

Mientjes4

Mientjes6

MARVA-hut en -expositie aan boord Hr.Ms. Schorpioen (foto’s: auteur)

De weg naar integratie

Het Verdrag van New York uit 1953 bracht destijds nog niet al te veel teweeg, maar toch leek er voor de Nederlandse krijgsmacht inzake gelijkheid tussen man en vrouw concrete verandering aan te komen. Na ruim vijftien jaar ondertekende Nederland in 1968 het verdrag en in 1971 werd deze per Rijkswet goedgekeurd. Dit betekende dat onder andere de rechtspositie van vrouwen binnen de krijgsmacht zou worden gelijkgesteld. Tot een volledige integratie zou het alleen nog niet komen, aangezien vrouwen de eerst navolgende jaren werden uitgesloten van gevechtsfuncties. Wel kwam het tot opheffing van de vrouwenkorpsen, omdat die volgens de wet niet langer te rechtvaardigen waren. Om de integratie in gang te zetten volgde in de loop van de jaren zeventig binnen de krijgsmachtdelen de opzet van diverse projectgroepen die zich bogen over de integratie van vrouwen in de krijgsmacht. Een korte inventarisatie van deze groepen toonde al gauw dat de krijgsmacht ze kampte met verschillende praktische, maar ook ethische problemen. Zaken als huisvesting, sanitaire voorzieningen, kleding, toelatingseisen van opleidingen en de kwestie of gevechtsfuncties ook voor vrouwen open stonden, passeerden de revue. Wat betreft de huisvesting en sanitaire voorzieningen was het simpelweg een kwestie van de bestaande gebouwen aan te passen of deze uit te breiden.[xi]

In het geval van de Koninklijke Marine kwam bij een volledige integratie meer kijken. Allereerst leefden er bij de zeestrijdkrachten zorgen over de gevolgen voor de gevechtskracht indien vrouwelijk marinepersoneel aan boord zou dienen. Mannelijk en vrouwelijk marinepersoneel zou immers moeten samenwerken op een vaak klein oppervlak en voor een langere periode. Daar zouden weleens nadelige spanningen of situaties uit kunnen ontstaan. Net als bij de andere krijgsmachtonderdelen, speelde aan boord van de marineschepen de kwestie van het realiseren van geschikte legering en sanitaire voorzieningen. Hierop werd er door de ‘Projectgroep Vrouw in de Koninklijke Marine’ in januari 1981 een proef gestart met een gemengde bemanning te varen. De marineleiding greep voor deze proef terug op het bevoorradingsschip Hr.Ms. Zuiderkruis. In de pers was er grote belangstelling voor dit zogenoemde ‘experiment’, met artikelen waarin regelmatig de vraag aan de orde kwam of het wel goed zou gaan. Het doel van de proef was naast het testen van infrastructurele zaken geenszins bedoeld om te bekijken of vrouwen wel een plaatsing aan boord moesten krijgen, maar eerder om te testen hoe zij het beste geplaatst kon worden. Dat vrouwen ‘varende functies’ konden krijgen was immers al vastgesteld door de politiek. Met de integratie van vrouwen binnen de drie krijgsmachtonderdelen, volgde ook de opheffing van de MARVA, MILVA en LUVA per januari 1982.[xii]

De proef met de Zuiderkruis leverde ook dankbaar materiaal op voor (cartoon)tekenaar Joes Wanders, die onder meer tekeningen leverde aan het door de KM uitgegeven maandblad Alle Hens. Het Marinemuseum licht een van zijn cartoons uit in de vaste opstelling die de bekwaamheid van vrouwelijk marinepersoneel in twijfel trekt. De cartoon van Wanders toont hoe een flight deck officer bij het begeleiden van een vliegtuig een pauze neemt om haar lippenstift bij te werken. De afbeelding van Wanders weerspiegelt duidelijk het sentiment binnen de KM en mogelijk ook de rest van de maatschappij toentertijd. Een wervingsposter die naast de cartoon is geplaatst, weerlegt de zogenoemde ‘onkunde’ van het vrouwelijk marinepersoneel juist door amper de nadruk te leggen op haar vrouwelijkheid maar eerder de brede carrièremogelijkheden binnen de KM te benadrukken.

‘Met de integratie van vrouwen binnen de drie krijgsmachtonderdelen, volgde ook de opheffing van de MARVA, MILVA en LUVA per januari 1982’

Varen met vrouwen

De integratie van vrouwen in de krijgsmacht markeerde een belangrijk keerpunt in de geschiedenis. Een traditioneel nagenoeg geheel door mannen gedomineerde omgeving, die zich ook in de decennia na de proef met de Zuiderkruis herzien moest blijven. Praktische zaken als uniform en werkoverall bleven daarnaast een hekelpunt, maar ook de toestroom en het behouden van vrouwelijke militairen bleef een terugkerend vraagstuk. In tegenstelling tot mannen bestond er toentertijd voor vrouwen geen dienstplicht en de daar bijbehorende opkomstplicht. Hoewel hier kortstondig over gesproken werd, bleek dit plan niet realistisch. Vrouwen die vrijwillig in dienst kwamen konden kiezen voor de contractvorm ‘Kort Verband Vrijwilliger’ of het ‘Kort Contract Vrouwen’. Een dergelijk contract bood hun de kans kennis te maken met de krijgsmacht en mogelijk door te stromen naar een beroepsverbintenis. Vrouwen kozen overwegend voor een contract van vier jaar, maar namen soms al eerder ontslag. Huwelijk of zwangerschap waren hierbij de meest voorkomende redenen voortijdig te stoppen. Omdat er nog geen regelingen waren getroffen inzake bijvoorbeeld ouderschapsverlof, was het voor vrouwen vaak niet goed mogelijk hun werk bij de krijgsmacht te combineren met de opvoeding van een kind. De geringe toestroom van vrouwen gaf aanleiding tot het opstellen van nieuwe beleidsplannen.

Hoofddoel was om maatregelen te treffen voor een toename van vrouwelijke militairen, alsook om ze voor de organisatie te behouden.[xiii] Het was onvermijdelijk dat zaken als kinderopvang en zwangerschapsverlof een (betere) regeling kregen, maar dat er ook aanpassingen volgden in de militaire beroepscultuur. Zo sprak kapitein-luitenant-ter-zee (LD) Pauline Handgraaf-Blok tijdens het KVMO-seminar op 22 november 2023, over het feit dat de KM nog steeds op veel vlakken niet voldoende is aangepast op vrouwen. Deze vrouwen voelen zich eerder genoodzaakt zich aan te passen aan een overwegend masculiene cultuur, maar bereiken mede door deze reden minder snel de top van de defensieorganisatie. Volgens overste Handgraaf-Blok is het nodig een verandering in te starten die ook feminiene competenties zwaarder laat meewegen. Het kan niet alleen ten gunste werken voor vrouwen en hun behoud binnen de organisatie, maar ook meer feminiene mannen zullen zich welkom voelen. Een dergelijke verandering kan mogelijk de sleutel zijn tot een cultuurverandering en kan er daarnaast voor zorgen dat meer vrouwen de top bereiken.[xiv] Daarnaast kan de verstrekking van passende uitrusting het behoud van vrouwen ook ten goede komen. Militairen moeten hun werkzaamheden optimaal alsook veilig kunnen uitvoeren en daarom zijn recente ontwikkelingen, zoals het scherfvest voor vrouwen, cruciaal.[xv]

Mientjes7In juli 2023 nam (toen) commandeur Jeanette Morang het commando van Standing Nato Maritime Group 1 (SNMG1) over van commandeur Ad van de Sande (foto: Jasper Verolme | MCD)

De weg naar de toekomst

In de loop van de jaren negentig en het vroege millennium stroomden de eerste vrouwen, hetzij mondjesmaat, door naar gevechtsfuncties.[xvi] In recente jaren volgden er verdere belangrijke ontwikkelingen die de positie van vrouwen binnen de marine deed veranderen. Zo maakte in 2016 de toenmalige minister van Defensie, Jeanine Hennis-Plasschaert, bekend dat per 1 januari 2017 het Korps Mariniers zou worden opengesteld voor vrouwen.[xvii] De eerdere selectie-eisen bleven daarbij hetzelfde. Een handjevol vrouwen meldde zich aan voor de selectie, waaronder Maroesjka Neutel. Ze zou als eerste vrouw worden toegelaten tot de opleiding van het Korps. Neutel werd tijdens de opleiding goed ontvangen door haar klasgenoten en ook commandanten waren erg te spreken over haar prestaties. Helaas gooide een zware blessure roet in het eten en zag Neutel zich gedwongen te stoppen met de opleiding.[xviii] Naast het Korps Mariniers bleef ook de Onderzeedienst na de integratie nog lang gesloten voor vrouwen. Lange tijd werd onder meer het gebrek aan privacy gezien als grootste struikelblok om te opereren met gemengde bemanningen. Na de positieve resultaten van een pilot bij de Canadese en Australische marine kwam het ook in Nederland tot een pilot waarbij tevoren aan boord van de onderzeeboten diverse eenvoudige aanpassingen plaatsvonden. Zo werden de slaapruimtes voorzien van gordijnen en kregen de douches deuren met een slot. Deze aanpassingen bleken erg succesvol en in 2020 zouden de eerste vrouwen, na het afronden van hun opleiding, een plaats aan boord vinden bij de Onderzeedienst.[xix] Inmiddels telt deze dienst 14 operationeel inzetbare vrouwelijke bemanningsleden.[xx] Een laatste noemenswaardige prestatie binnen de KM is dat van schout-bij-nacht Jeanette Morang. Zij behoorde in 1986 tot de eerste lichting vrouwen die de reguliere officiersopleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine met goed gevolg hadden afgerond. Zo resulteerde haar lange en indrukwekkende loopbaan in 2022 onder meer tot haar benoeming tot eerste vrouwelijke eskadercommandant van Nederland. Heden ten dage is zij commandant van de Netherlands Maritime Force.[xxi]

Conclusie

De komst van vrouwen binnen de Nederlandse krijgsmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog bracht op papier een grote verandering met zich mee. De oprichting van de MARVA maakte vrouwen in uniform langzaamaan een vertrouwd beeld binnen de krijgsmacht en zette, misschien onbedoeld, de deur op een kier voor de integratie van vrouwen in de KM. In de praktijk bleek er evengoed meer tijd nodig om traditionele rolpatronen en stereotypes te doorbreken, maar ook om tot een zekere cultuuromslag te komen die het voor vrouwen aantrekkelijker maakt om voor een carrière bij de KM te kiezen en daar te blijven. Dat vrouwen geschikt zijn voor de KM hebben zij al ruimschoots bewezen. Zo gaan zij al enkele decennia mee op uitzending en er zijn steeds vaker vrouwelijke commandanten op schepen. Dat neemt daarentegen niet weg dat vrouwelijke militairen sinds de integratie nog altijd een minderheid vormen binnen de KM en ook op plaatsen als het Marinemuseum nog een onderbelicht thema blijven. Hopelijk zal de toekomst meer ruimte bieden voor de onmisbare rol van vrouwen, niet alleen omwille van gelijkheid, maar ook om de kracht en diversiteit van onze krijgsmacht te versterken.

 

Noten

[i] L. van Bergen, Pro Patria et Patienti: De Nederlandse militaire geneeskunde 1795-1950, (Den Haag 2019) 143-144.

[ii] Atria, ‘Vrouwen en de Eerste Wereldoorlog’, https://atria.nl/nieuws-publicaties/vrouwen-en-de-eerste-wereldoorlog/ (geraadpleegd 22 januari 2024).

[iii] Handleiding ten behoeve van den Bijzonderen Vrijwilligen Landstorm 1927, Nederlands Instituut voor Militaire Historie Den Haag, Militaire Vrouwen Afdeling (MILVA), Toegang 514, inventarisnummer 2.

[iv] A.M.C. van Dissel en J.R. Bruijn, Bij de Marva: vrouwelijke militairen in dienst van de Koninklijke Marine 1944-1982 (Amsterdam 1994) 12.

[v] De geschiedenis van het Vrouwen Hulp Korps / de Onderafdeling Algemene Dienst van de Militaire Vrouwen Afdeling, 1944-1964, Nederlands Instituut voor Militaire Historie Den Haag, E. Staf. Vrouwen Hulpkorps (VHK) en Militaire Vrouwen Afdeling (MILVA), Toegang 578, inventarisnummer 19.

[vi] Van Dissel en Bruijn, Bij de Marva, 21-22.

[vii] Geschiedenis MILVA samengesteld door luitenant-kolonel C.F.A. Adank, Commandant Onderafdeling algemene dienst MILVA, 27 augustus 1975, Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Den Haag, Militaire Vrouwen Afdeling (MILVA), Toegang 514, inventarisnummer 64.

[viii] Overheid.nl, ‘Verdrag betreffende de politieke rechten van de vrouw, New York, 31-03-1953”, https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005193&z=1971-10-28&g=1971-10-28 (geraadpleegd 22 januari 2024).

[ix] Van Dissel en Bruijn, Bij de Marva, 115-116.

[x] Henny de Boer, ‘Ik ben best een bijzonder iemand’, Alle Hens, nr. 5, (15 mei 2017) https://magazines.defensie.nl/allehens/2017/05/05_eerste-vrouwelijke-commandant-massizzo (geraadpleegd 23 januari 2024).

[xi] De vrouw in de krijgsmacht, 2 juli 1980, Nederlands Instituut voor Militaire Historie Den Haag, E. Staf. Vrouwen Hulpkorps (VHK) en Militaire Vrouwen Afdeling (MILVA), Toegang 578, inventarisnummer 29.

[xii] Van Dissel en Bruijn, Bij de Marva, 127-128.

[xiii] Beleidsplan integratie vrouw in de KL (juli 1994), Nederlands Instituut voor Militaire Historie Den Haag, E. Staf. Vrouwen Hulpkorps (VHK) en Militaire Vrouwen Afdeling (MILVA), Toegang 578, inventarisnummer 29.

[xiv] Redactie KVMO, ‘Aandacht is het nieuwe goud ‘ Een terugblik op het KVMO-seminar’ in: Marineblad 133, 8 (2022) 4-11.

[xv] Ministerie van Defensie, ‘Passende uitrusting voor vrouwelijke militairen krijgt vorm’ (9 februari 2024) https://www.defensie.nl/organisatie/marine/nieuws/2024/02/09/passende-uitrusting-voor-vrouwelijke-militairen-krijgt-vorm (geraadpleegd 20 februari 2024).

[xvi] Ministerie van Defensie, ‘Vrouwen 75 jaar bij Defensie’ https://www.defensie.nl/onderwerpen/vrouwen-bij-defensie (geraadpleegd 23 januari 2024).

[xvii] Joost Margés, ‘Vrouwen krijgen een eerlijke kans’, Alle Hens, nr. 6, (oktober 2016) https://magazines.defensie.nl/allehens/2016/10/06_vrouwen-bij-het-korps (geraadpleegd 23 januari 2024).

[xviii] Kaya Bouma, ‘Waarom Maroesjka Neutel, eerste vrouw in het Korps Mariniers, stopte’, De Volkskrant (21 december 2018) https://www.volkskrant.nl/mensen/waarom-maroesjka-neutel-eerste-vrouw-in-het-korps-mariniers-stopte~bedc3924 (geraadpleegd 23 januari 2024).

[xix] André Twigt, ‘Officieel: vrouwen bij de Onderzeedienst’, Defensiekrant, nr. 3, (24 januari 2020) https://magazines.defensie.nl/defensiekrant/2020/03/defensiekrant-vrouwen-subs (geraadpleegd 1 maart 2023).

[xx] Evert Brouwer, ‘Lustrum van ‘eigenlijk niks bijzonders’’, Defensiekrant, nr. 6 (16 februari 2024) https://magazines.defensie.nl/defensiekrant/2024/06/03_vrouwen-onderzeedienst_06 (geraadpleegd 22 februari 2024).

[xxi] Casper Duin, ‘Jeanette Morang, de eerste vrouwelijke commandeur en hoogste vrouw van de marine, heeft nu ook de leiding over de uitzendbare, operationele staf van de zeemacht’, Noordhollands Dagblad (19 januari 2023) https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20230119_72409204?utm_source=google&utm_medium=organic (geraadpleegd 20 januari 2024).

 

 

Gerelateerd

 

 

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave