Een moderne Flower-klasse voor de Noord-Atlantische werkelijkheid

Hoe Nederland zijn slagkracht op zee richting 2030 kan vergroten

Door P. de Jong, J. de Jonge & F.L.A. Mertens


Abstract

De maritieme slagkracht van de Koninklijke Marine moet richting 2030 substantieel worden vergroot. Toenemende Russische dreiging aan de NAVO-Noordflank, structurele tekorten in scheepsbouw en bemensing, en de opkomst van onbemenste systemen maken een hybride vlootstrategie onontkoombaar. Dit artikel verkent hoe een in serie te bouwen Multi-role Support Ship — betaalbaar, zeewaardig en schaalbaar — een beslissende bijdrage kan leveren aan maritieme massavorming. Geïnspireerd door de Flower-klasse korvetten uit de Tweede Wereldoorlog: eenvoudig genoeg om snel te bouwen, robuust genoeg om te vechten. Nu is het tijd om door te pakken.


Render van het Multi-role Support Ship (bron: MARIN)Render: MARIN

Inleiding

Maritieme dreiging in de Baltische Zee en het Noord-Atlantische gebied neemt toe, onder meer door intensievere militaire en hybride activiteiten, verstoringen van maritieme communicatie en druk op kritieke infrastructuur. Daarmee worden strategische autonomie, industriële capaciteit en maritieme massavorming opnieuw bepalend voor onze veiligheid. Dit artikel verkent, vanuit gezamenlijke inzichten van de Task Force Maritime Uncrewed, hoe een in serie te bouwen variant van het Multi-role Support Ship (MSS) kan bijdragen aan toekomstig optreden van de Koninklijke Marine, en hoe het MSS-concept verder kan worden ontwikkeld tot een schaalbare en betaalbare oplossing — in de geest van de Flower-klasse korvetten uit de Tweede Wereldoorlog, die destijds bekend stonden om eenvoud, robuustheid en schaalbaarheid van productie.

 

Strategische context

Niemand kan anno 2026 nog serieus twijfelen: de Nederlandse vloot moet na decennia van afbouw en uitstel krachtig worden uitgebreid om onze maritieme belangen, van veilige wereldwijde handelsroutes en bescherming van onderzeese infrastructuur tot stabiliteit in strategische regio's zoals de Noord-Atlantische, Europese en Indo-Pacific wateren, en de handhaving van internationale regels op zee. Rusland vormt opnieuw een directe dreiging aan de NAVO-Noordflank, terwijl de Verenigde Staten zich onvermijdelijk blijven richten op hun strategische competitie met China in de Indo-Pacific. Voor een maritieme middelgrote mogendheid als Nederland, met een compacte maar wereldwijd inzetbare en technologisch hoogwaardige marinevloot, betekent dit zij moet blijven investeren in voldoende massa en voortzettingsvermogen. Daarbij gaat het niet alleen om NAVO-capaciteitsdoelstellingen, maar ook om het beschermen van nationale en Europese maritieme belangen.

Structurele knelpunten in scheepsbouw en bemensing

De uitdaging hierbij is het lange proces van aanschaf, ontwerp en bouw van grote oorlogsschepen. Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in het Anti-Submarine Warfare Frigate (ASWF)-programma: vanaf de A-brief in juni 2020, tot de geplande instroom van het eerste schip rond 2029–2030 zit bijna tien jaar. Tijdig starten is cruciaal om toekomstige capaciteitstekorten te voorkomen. Dit probleem verergert doordat de minimale vraag naar de bouw van oorlogsbodems in de afgelopen twintig jaar zijn tol heeft geëist op de Nederlandse scheepswerven die dergelijke schepen kunnen produceren. De constructie- en integratiecapaciteit staat stevig onder druk en is soms zelfs bijna weg geërodeerd, zoals tijdens het vervangingstraject van de Walrusklasse pijnlijk bleek. Zonder een continue stroom aan orders verdwijnt productievaardigheid en de daarbij benodigde kennisinfrastructuur nu eenmaal snel.

Digitale render van het ASW-fregat (bron: Koninklijke Marine)Render van het ASW-fregat (bron: Koninklijke Marine)

In combinatie met de hoge complexiteit van moderne schepen, onze afhankelijkheid van buitenlandse producenten voor vitale componenten, alsook het feit dat bondgenoten met dezelfde beperkingen worstelen, wordt duidelijk dat we verder moeten kijken dan de klassieke benadering van scheepsbouw. Onze huidige schepen zijn kwalitatief uitstekend, maar kwantitatief kwetsbaar. Wie een oorlog op zee wil kunnen uitvechten én overleven, heeft massa nodig, ook om de onvermijdelijke verliezen (oftewel: attritie) te kunnen compenseren.


Wie een oorlog op zee wil kunnen uitvechten én overleven, heeft massa nodig.


Verder moet rekening worden gehouden met het mankrachtaspect. Want ondanks het feit dat 'dienstplicht' sneller dan we hadden durven te verwachten bespreekbaar is geworden, zal het bemensen van al die benodigde oorlogsbodems heel lastig worden — zeker wanneer de vloot in aantallen groeit. Daarbij gaat het niet alleen om voldoende mensen, maar ook om het behouden en aantrekken van hoogwaardige technische expertise nodig om steeds complexere systemen te kunnen onderhouden en bedienen. Autonomie moet daarom in de eerste plaats gericht zijn op het reduceren van de operator load en het minimaliseren van blootstelling van personeel aan risico's – autonomie is geen doel op zich, maar een middel om de toekomstige vloot met kleine bemanningen inzetbaar te houden en taken te verplaatsen naar bijvoorbeeld de wal.

De hybride vloot als noodzakelijke volgende stap

De marine wil deze problemen nu aanpakken door over te stappen op een schaalbare hybride vloot waarin bemenste, laagbemenste en onbemenste schepen één geïntegreerd geheel vormen.1 Zo kan sneller voldoende capaciteit op het water worden gebracht, raakt de vloot beter bestand tegen de onvermijdelijke verliezen die horen bij conflicten met een peer opponent, en neemt de tactische effectiviteit toe. Het gaat hierbij om het naar zee brengen van massa, in schepen en in aantallen effectoren zoals raketten en torpedo's en dat met platformen die talrijker en minder duur zijn dan fregatten. Om deze ontwikkelingen te starten en te versnellen heeft de marine de Task Force Maritime Uncrewed opgericht. Binnen deze groep wordt vanuit een gezamenlijke visie, via concrete experimenten en gerichte concept-ontwikkeling actief gewerkt aan de verdere integratie van onbemenste en autonoom opererende middelen binnen de verschillende maritime warfare-gebieden.


Voor de korte termijn is dit bovendien geen keuze, maar een noodzaak.


De mijnenbestrijding loopt bij deze ontwikkeling voorop. Door jarenlange ervaring met Remotely Operated Vehicles (ROVs) heeft Nederland, samen met België, de moedige stap gezet deze onbemenste taak verder uit te werken, met moederschepen die buiten het mijnenveld blijven. Dezelfde ontwikkeling zal zich moeten doorzetten in de klassieke ASW-taak, waarin Nederland tijdens de Koude Oorlog uitblonk. Maar ook in de Integrated Air and Missile Defense (IAMD)-specialisatie, die sindsdien is opgebouwd; in amfibische operaties in gevaarlijke kustwateren, alsook in strike-missies tegen land- en zeedoelen.

Lissabon, September 2024.Op de N-Sea GeoSea beoefent de koninklijke marine nieuwe onderwaterdrones. Op Zr Ms Johan de Witt beoefent men nieuwe en bestaande vliegende drones in het kader van oefening REPMUSNederland zet grote stappen met de inzet van onbemande systemen. Foto: nieuwe onderwaterdrones worden getest tijdens de jaarlijkse oefening REPMUS, Portugal 2024 (Mediacentrum Defensie)

Voor de korte termijn is dit bovendien geen keuze, maar een noodzaak. Grote, bemenste platforms zoals het ASWF en de Future Air Defender (FUAD) blijven onmisbaar voor commandovoering, sensoroverzicht en optreden in het volledige geweldsspectrum. Hun bouw moet onverminderd doorgaan. Maar de eerste ASWF stroomt pas vanaf 2029 in en de eerste FUAD staat nu gepland rond 2034. Alleen aanvullende massa in de vorm van eenvoudigere, laagbemenst of onbemenst opererende platformen kan vóór die tijd slagkracht toevoegen, attritie opvangen en een tegenstander verzadigen. Daarmee vullen zij de fregatten aan in plaats van te vervangen. De plannen voor de bouw van een eerste MSS sorteren daarop voor.

Het Multi-role Support Ship

De marine heeft de afgelopen periode ervaring opgedaan met de laagbemenste Galatea, een Off-The-Shelf (OTS) platform dat direct inzetbaar was voor taken op de Noordzee. Deze inzet levert waardevolle lessen op voor het gebruik van dergelijke laagbemenste systemen. De Galatea is echter primair ontworpen voor offshore-activiteiten in onder andere de Noordzee en daarmee niet geschikt voor structureel optreden onder de zwaardere omstandigheden van de Atlantische Oceaan. Parallel aan deze inzet werkt de KM aan verdere uitwerking van het bredere MSS-concept, waarbij een relatief eenvoudig, laagbemenst platform dient als eerste ontwikkelstap. Doorontwikkeling naar een groter, robuuster en oceaanwaardig platform is de logische vervolgstap, met meer nadruk op autonomie en voortzettingsvermogen, voortbouwend op dezelfde software- en systeemarchitectuur.

De Koninklijke Marine heeft de afgelopen periode met ervaring opgedaan met de laagbemenste Galatea (foto: Mediacentrum Defensie)De Koninklijke Marine heeft de afgelopen periode met ervaring opgedaan met de laagbemenste Galatea (foto: Mediacentrum Defensie)

Civiele of militaire alternatieven bestaan nauwelijks, wat begrijpelijk is aangezien het een geheel nieuw scheepstype omvat. Deze ontwikkeling vraagt bovendien een aanpak in twee sporen: 1) de ontwikkeling van een robuust, eenvoudig en snel te bouwen basisplatform, en 2) het incrementeel verhogen van de autonome functionaliteit naarmate technologie en ervaring zich verder ontwikkelen.

Daarom stellen auteurs dezes voor een prototype te laten ontwerpen en een eerste exemplaar te bouwen van wat een MSS Oceanicmoet worden. Drie pijlers staan hierbij centraal:

  • Het schip moet voldoende zeewaardig zijn en voldoende snelheid en uithoudingsvermogen hebben met onze grote eenheden in een vlootverband in de winter in de Noord-Atlantische oceaan te opereren;
  •  het schip moet de gevechtskracht hebben die nodig is om een enkelvoudige taak te vervullen;
  • het schip moet betaalbaar, snel, en op schaal op commerciële werven gebouwd kunnen worden.

Deze aanpak impliceert continuous build: een permanente bouwlijn die industriële capaciteit levend houdt en attritie kan opvangen. Hierbij is volledige autonomie wenselijk, maar geen doel op zich – deze kan stap voor stap geïntroduceerd worden. Familievorming (zoals bij de vervanging hulpvaartuigen2) en modulariteit dienen vooral in het ontwerp te worden geborgd, zodat varianten per warfare area tijdens de bouwfase efficiënt zijn te realiseren. In de operationele fase wijzigen configuraties vrijwel nooit; modulewissels tijdens inzet creëren vooral extra complexiteit zonder reële meerwaarde.

Operationele eisen

Dit concept doet dan ook denken aan een moderne uitvoering van het bescheiden, maar bewezen effectieve Britse Flower-klasse korvet uit de Tweede Wereldoorlog. Ook de Koninklijke Marine opereerde in 1943–1944 zelf met een Flowerklasse korvet, Hr.Ms. Friso, dat in Atlantische konvooidiensten zijn waarde bewees. Het ging om onpretentieuze schepen, die voldoende geschikt waren voor de taak die ze moesten vervullen en in grote aantallen beschikbaar waardoor zij een beslissende bijdrage leverden aan de Slag om de Atlantische Ocean.3

Hr.Ms. Friso, een Flower-klasse korvet (foto: collectie NIMH)Hr.Ms. Friso, een Flower-klasse korvet (foto: collectie NIMH)

Inzake het MSS Oceanic, moet het platform in eerste plaats bestand zijn tegen de zware operationele omstandigheden van de Noord-Atlantische Oceaan. Dat vereist een combinatie van zeewaardigheid, snelheid en uithoudingsvermogen, die het mogelijk maakt in de Noord-Atlantische winter een LC- of ASW-fregat bij te houden en een taakgroep opererend bij 14 tot 18 knopen te kunnen begeleiden. Voor een geloofwaardige ASW-rol is daarnaast een zekere sprintcapaciteit noodzakelijk. Hiermee komt de afmeting al snel uit op een schip van ruim 75 meter, met voldoende massa voor stabiliteit en met Replenishment at Sea (RAS)voorzieningen voor langdurige inzet op grote afstand.


Het platform moet in eerste plaats bestand zijn tegen de zware operationele omstandigheden van de Noord-Atlantische Oceaan.


Dit stelt ook eisen aan welke vormen van autonomie in de praktijk betrouwbaar inzetbaar zijn. Systemen moeten niet alleen functioneren tijdens korte operaties dicht bij Den Helder, maar ook tijdens langere missies in de Noord-Atlantische of Arctische wateren. Daarbij moet het ontwerp in staat zijn ten minste zes maanden onafgebroken inzetbaar te blijven, wat hoge eisen stelt aan de robuustheid en redundantie van energievoorziening, voortstuwing en andere kritieke systemen. Waarborging van inzetbaarheid door praktische aspecten zoals onderhoud, foutdetectie, het beperken van ijsvorming en het veilig uitvoeren van RAS-handelingen zullen daarom ook in de nabije toekomst een minimale bemanning vereisen.

Wapensystemen en robuustheid

Een kritische blik op de robuustheid van payload-systemen, zeker wanneer deze oorspronkelijk zijn ontworpen voor andere klimaatzones dan de Noord-Atlantische oceaan, is wenselijk. Zo is het de vraag of schaarse en kostbare raketten in containeropstellingen met kwetsbare erectors moeten worden ondergebracht. In ruwe zeegang kan het gebruik van dit soort systemen uitdagend zijn. Een robuuster alternatief, zoals het Adaptable Deck Launching System (ADLS), lijkt in dat opzicht geschikter. In een haven is het bevestigen of verwijderen ervan relatief eenvoudig en het biedt een aanzienlijk grotere betrouwbaarheid onder zware operationele omstandigheden.

ASW2035 NL cropInzet van het MSS in een onderzeebootbestrijdingstaak (bron: Task Force Maritime Uncrewed, 2025). Klik om de afbeelding te vergroten.

Vanuit de visie van Task Force Maritime Uncrewed tekenen zich twee configuraties af voor operaties ver op zee. De eerste is die van een ASW-escorteschip met een sleepsonar. Twee of meer van deze schepen, uitgerust met een Low-Frequency Active Sonar (LFAS), een kleine Anti-Submarine Rocket (ASROC) zoals de SeaPike en opererend in nauwe samenwerking met een stille ASWF, vormen een uiterst effectieve hunter/killer-combinatie tegen elke onderzeeboot die een vlootverband durft te benaderen. De tweede configuratie is die van een mini-arsenaalschip. Deze kan voldoende raketten en expendables kan meenemen om – afhankelijk van het gekozen wapenspectrum – het voortzettingsvermogen van een LCF of FUAD te vergroten met meer magazijndiepte, amfibische operaties met vuurkracht te ondersteunen, of strike-missies tegen land- en zeedoelen uit te voeren.

Inzet van het MSS in een Integrated Air- and Missile Defence taak (bron: Task Force Maritime Uncrewed, 2025)Inzet van het MSS in een Integrated Air- and Missile Defence taak (bron: Task Force Maritime Uncrewed, 2025). Klik om de afbeelding te vergroten.

Bij inzet op de Atlantische Oceaan opereren deze platformen altijd aanvullend op de grotere fregatten, zoals ASWF en FUAD. Deze schepen leveren command & control (C2): het overzicht, de sensorcoördinatie en de kern van de gevechtskracht binnen het verband. De onbemenste of hoog-autonoom opererende varianten binnen deze nieuwe klasse vormen juist de attriabele massa en de vooruitgeschoven sensoren: platforms die in grotere aantallen kunnen worden ingezet, dichter bij de dreiging kunnen opereren, en die het de tegenstander moeilijker maken door een veelheid aan doelen en effectoren (zowel hard kill als soft kill) aan te bieden. Zo versterken zij het voortzettingsvermogen en de gevechtskracht van de hoofdtaakgroep.


Verlies van inidividuele platformen is acceptabel zolang het collectieve effect overeind blijft.


Naast hun rol binnen Noord-Atlantische taakgroepen kunnen deze platformen in grotere aantallen ook zelfstandig effect genereren in bijvoorbeeld de Baltische Zee. Een zwerm zou daar een tegenstander kunnen dwingen zijn sensoren, wapens en besluitvorming over een breed front te verdelen. Door saturatie, misleiding en het aanbieden van een veelheid aan doelen ontstaat een aanzienlijke belasting op vijandelijke verdediging en commandovoering. In dit soort kustnabije, A2AD (Anti-Access/Area Denial)-bubbels, komt de waarde van attriabele massa volledig tot zijn recht: verlies van individuele platformen is acceptabel zolang het collectieve effect overeind blijft. 

Industrialisatie en massaproductie

En dan komen de eisen in beeld die daadwerkelijke massa mogelijk moeten maken. Deze schepen moeten betaalbaar en snel te produceren zijn en in serie kunnen worden gebouwd op werven die gewend zijn om kleinere en middelgrote commerciële schepen te bouwen, in plaats van uitsluitend op de gespecialiseerde werven die grote marineschepen produceren. De gespecialiseerde marinewerven (in Nederland, maar ook verder in Europa) zullen immers al volledig belast zijn met de bouw van de grotere en complexere oorlogsschepen die eveneens noodzakelijk zijn, waardoor voor deze nieuwe klasse een beroep moet worden gedaan op niet-traditionele leveranciers. Dat betekent bouwen volgens minimaal noodzakelijke standaarden, met zo veel mogelijk commerciële OTS- en militaire OTS-componenten en een modulaire bouwmethode waar dat zinvol is.

Render van het Multi-role Support Ship (bron: MARIN)Render: MARIN

Bij investeringen in een dergelijke klasse schepen moet rekening worden gehouden met een kostenprofiel dat wezenlijk verschilt van dat van grotere fregatten. Hoewel exacte bedragen pas in latere ontwerpfasen valt te bepalen, geldt dat een relatief eenvoudig, laagbemenst en in serie te produceren platform substantieel goedkoper is dan hooggespecialiseerde fregatten. De belangrijkste kostendragers zijn het casco, de voortstuwing, de integratie van sensoren en commandosystemen en de gewenste mate van autonomie. Door te bouwen op commerciële werven, seriematig te produceren en brede toepassing te maken van COTS- en MOTS-componenten kan de totale investering beheersbaar blijven, waarbij vooral de eenheidsprijs en de schaalvoordelen van serieproductie bepalend zijn voor de uiteindelijke begroting.

De kern is vroegtijdig bepalen waar de echte productieknelpunten zitten, welke onderdelen afhankelijk zijn van schaarse strategische materialen en waar juist ruimte ligt binnen de bestaande industriële capaciteit. Staal en dieselmotoren behoeven bijvoorbeeld geen beperkende factoren te zijn. Dit is ook reden om het ontwerp niet onnodig strak te dimensioneren, maar voldoende ruimte en structurele marges in te bouwen voor toekomstige (modulaire) groei. Investeringen inzake de facilitering van grootschalige en continue productie in de ontwerpfase verdienen zich later ruimschoots terug – zowel in doorlooptijd als in strategische wendbaarheid.


Met het oog op strategische autonomie is het van belang deze schepen in Nederland te ontwerpen, ontwikkelen en integreren.


Dit alles vraagt om vroegtijdige samenwerking van industrie, kennisinstellingen en Defensie, binnen een total defence-benadering die de nationale ontwikkel-, ontwerp-, bouw- en integratiecapaciteit in alle regio's van Nederland structureel versterkt, maar ook strategische dispersie in bouwlocaties tot gevolg heeft.

Internationale samenwerking

Met het oog op strategische autonomie is het van belang deze schepen in Nederland te ontwerpen, ontwikkelen en integreren, gericht op radicale vernieuwing van de vloot van de toekomst. Dat sluit internationale samenwerking niet uit. Integendeel, die is juist zeer wenselijk. Bondgenootschappelijke marines zien zich geconfronteerd met dezelfde uitdagingen en komen logischerwijs uit bij vergelijkbare concepten. Operationeel is maximale interoperabiliteit en waar mogelijk zelfs uitwisselbaarheid van groot belang; industrieel zorgen meer internationale partners voor de strategische schaal die nodig is om continuïteit in productie te garanderen en versterken zij tegelijkertijd de samenhang binnen de alliantie. De meest voor de hand liggende partners bevinden zich binnen de Northern Naval Capability Coalition, maar het is verstandig de blik ook breder te richten – het Verenigd Koninkrijk is een voor de hand liggende optie.

Bemanning, autonomie en overlevingskansen

Uiteindelijk vraagt dit concept om een realistische beschouwing van de bemensing en de mate van autonomie waarmee deze schepen zullen opereren. Volledige autonomie met een onbemenst platform is op termijn het doel, maar dit is op korte termijn niet haalbaar. Daarom blijft de komende jaren een beperkte samenstelling noodzakelijk. Daarbij speelt de vraag of deze bemensing primair verantwoordelijk zal zijn voor het varen en vechten van het schip, of zich vooral positioneert als technische ploeg ter ondersteuning van de autonome systemen. Dat laatste past beter bij de gewenste schaalvergroting, maar brengt ook het risico met zich mee dat hiervoor juist schaarse technische specialisten nodig zijn – personeel dat niet vanzelfsprekend zal kiezen voor een rol als primaire bemensing van relatief eenvoudige, mogelijk attritie-gevoelige platformen. Dit vraagt om zorgvuldige keuzes in ontwerp, taakverdeling en functiewaardering.

Render van het Multi-role Support Ship (bron: MARIN)Render: MARIN

Wat in ieder geval vaststaat, is dat de overlevingskansen van de bemanning centraal moeten staan, ook op laagbemenst opererende platformen. Op een klein schip dat grotendeels volgens civiele of beperkte militaire standaarden wordt gebouwd, kan uitgebreide damage control niet het uitgangspunt zijn; tenzij het om een zeer geringe treffer gaat, is grootschalige schadebeheersing simpelweg niet realistisch. Dit vraagt om, zolang er mensen aan boord zijn, een goed beschermde citadel waarin de crew veilig kan opereren, gecombineerd met voldoende reddings- en evacuatiemiddelen om zo veel mogelijk op eigen kracht in veiligheid te kunnen komen indien getroffen.

Conclusie: tijd om door te pakken

Het is duidelijk dat deze moderne Flower-klasse (of zo u wilt: Roofdierklasse) geen perfectie hoeft te belichamen. Het wordt een robuust, 'goed genoeg' platform dat vooral in aantallen het verschil maakt. Een continuous build-benadering is daarbij essentieel: zij zorgt niet alleen voor een constante stroom schepen, maar ook voor een proces van continuous improvement, waarin elke nieuwe batch kan profiteren van operationele ervaring en technologische innovatie.

Wat nu telt, is dat er richting 2030 voldoende massa aan slagkracht op het water beschikbaar komt om een oorlog op zee te kunnen uitvechten, verliezen te kunnen opvangen en uiteindelijk overwicht te kunnen behalen. Door de drie pijlers zeewaardigheid, gevechtskracht en produceerbaarheid op schaal te koppelen aan lerend en continu bouwen, ontstaat een haalbare route naar zichtbare maritieme massavorming in de komende jaren. Nu is het aan het gehele Nederlandse maritieme cluster - CZSK, COMMIT, industrie en kennisinstituten - om dit te vertalen naar een gezamenlijk ontwerptraject dat leidt tot een eerste oceaanwaardig prototype en daarmee tot daadwerkelijke capaciteit op zee.

 

Auteurs Pepijn de Jong, Jeroen de Jonge en Frederik Mertens werken bij MARIN en TNO en zijn betrokken bij de Task Force Maritime Uncrewed; dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.

pdfDownload dit artikel

Noten

1 KTZ drs. R. van Vuuren, 'De toekomstige marine opereert hybride', Marineblad (mei 2025): 'CZSK moet in de toekomst wereldwijd kunnen optreden met een gezonde mix van systemen met én zonder onbemande systemen.' Zie: https://www.marineblad.nl/artikel/de-toekomstige-marine-operereert-hybride

2 Zie ook: LTZ2OC (SD) J. Margés, 'Flexibel en functioneel', Materiaalgezien 01 (februari 2021): https://magazines.defensie.nl/materieelgezien/2021/01/07_hulpvaartuigen

3 Zie ook: The Cruel Sea door Nicolas Monsarrat over de HMS Compass Rose

 

Gerelateerd

 

 

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave