'De zee is Nederlands mooiste natuurgebied'
Afscheidsinterview met professor Theo Brinkel
Professor Theo Brinkel, docent Internationale Veiligheidsstudies aan de Nederlandse Defensieacademie (NLDA), bekleedde van december 2016 tot april 2025 de KVMO-leerstoel Militair-Maatschappelijke Studies aan de Universiteit Leiden, waar hij in januari 2018 met zijn oratie ‘Moraliteit, beleid en weerbaarheid’ het ambt van bijzonder hoogleraar aanvaarde. Daarnaast was Brinkel tussen 2020 en 2025 columnist voor het Marineblad. Afgelopen april bereikte hij de pensioengerechtigde leeftijd. Bij zijn afscheidsbijeenkomst in Leiden verzamelden collega’s, vrienden en familie om te proosten op een bijzondere carrière. De redactie kreeg hierbij gelegenheid samen met Theo te reflecteren op een bijzondere periode.

‘Laat me beginnen met te zeggen dat ik de KVMO dankbaar ben dat zij mij de afgelopen jaren het vertrouwen heeft gegeven om deze positie te bekleden. Ik ben ook blij dat uitgerekend de KVMO de zendende instantie is van mijn leerstoel. Daar heb ik drie redenen voor. Ten eerste is de zee Nederlands mooiste natuurgebied. Het voelde altijd fantastisch om als bemanning op een kwarttonner na de sluis bij Stellendam de zee op te varen. De golven werden ineens veel langer en de wind werd eerlijker. Er kwam een gevoel van vrijheid over je. Ten tweede: de beste studenten aan de Nederlandse Defensieacademie, dat zijn de adelborsten van het Koninklijk Instituut voor de Marine. De mariniers die altijd op de voorste rij gaan zitten en de dames en heren van de Zeedienst die de scherpste opmerkingen maken.’
‘Ten derde: toen ik lang geleden Kamerlid was, ervoer ik hoe de Koninklijke Marine van de krijgsmachtdelen de beste lobby had. In aanloop naar de Marinestudie werden wij als leden van de Vaste Kamercommissie voor Defensie met de Lynx opgehaald van Vliegkamp Valkenburg en langs de stranden naar Den Helder gevlogen. Daar kregen we een rondleiding op een LCF. In de commandocentrale moesten we vooral zien hoe de wanden volgepakt waren met apparatuur. ‘Indrukwekkend, vind u niet?’ zei de rondleidend officier. Nou, dat vonden wij ook. ‘Moet u nagaan hoeveel arbeidsloon er opgaat in onderhoud.’ Ja, dat zagen we wel. ‘Dat geldt ook voor de nieuwe korvet, waar u binnenkort een beslissing over gaat nemen.’ ‘Oh?’, vroegen we. ‘Zeker. Daarom is het eigenlijk goedkoper om grote patrouillevaartuigen te bouwen. Dat vraagt veel minder arbeidsloon.’ En zo kregen we Oceangoing Patrol Vessels en niet van die knullige korvetten. Dat was de marinelobby.’
Over de Universiteit Leiden zei u: ‘Het is toch een andere gemeenschap, met nét een andere kijk op de zaken. Bij Krijgswetenschappen in Breda is er altijd een directe link met de beroepsgroep van militairen. Hier bij het Instituut Politieke Wetenschap plaatst men vraagstukken in een breder academisch kader. Mooi dat ik mag proberen die twee benaderingen te combineren.’ Hoe kijkt u terug op het combineren van deze twee benaderingen en hoe heeft u de verschillen in tussen de NLDA en de UL ervaren?
‘Kijk, er waren natuurlijk overeenkomsten. Bij beide instanties kon ik lesgeven aan jonge mensen. Gek, maar daar bleef ik zelf jong bij, omdat je je voortdurend wilde verplaatsen in de denkwereld van de nieuwe generaties studenten. Wat was voor hen belangrijk in het leven? En waar maakten zij zich zorgen over? Het contact met jonge mensen, voor wie de hele wereld nog openligt, is inspirerend en leerzaam. Je ziet de toekomst in hun ogen.
‘Er zijn onderzoeken die laten zien dat de weerbaarheid van de Oekraïense samenleving mede te danken is aan de democratische cultuur die sinds 2014 in het land is opgebouwd’
‘Er was ook overlap in de colleges die ik gaf in Leiden en in Breda. In Breda doceerde ik over de totstandkoming van veiligheidsbeleid; in Nederland en in de rest van de NAVO. In Leiden over civiel-militaire betrekkingen. Democratie en veiligheid komen samen in de artikelen 97 en 100 van de Grondwet. Daarin staan de taken van en de vermelding van het oppergezag van de regering over de krijgsmacht. Daar ontmoeten internationale veiligheid en parlementaire democratie elkaar heel concreet. Dat was voor mij de crux van de militair-maatschappelijke relaties. In Nederland en in de NAVO. Dat kon je ook wel zien in mijn columns voor het Marineblad.'
‘Ik kon dat uitwerken in het keuzevak dat ik heb gegeven, waarin ik met een dertigtal studenten de strategische culturen vergeleek tussen Europese landen en de Verenigde Staten. Het was fijn om dat vak te geven. Zeker in 2022, toen mijn colleges zo’n beetje parallel liepen aan de eerste maanden van de Russische invasie in Oekraïne. Wat wij hier ‘civiele’ studenten noemen, die waren bijzonder bezig met krijgskunde. Ik heb er ieder jaar wel een paar naar de Master Military Strategic Studies van de NLDA kunnen doorsluizen, of zelfs naar een kort model officiersopleiding. Ik kreeg ook behoorlijke evaluaties van studenten. Maar mogelijk heeft dat ook te maken met de bezoeken aan een marineschip die ik met hen aan het eind van de cursus mocht brengen. De commandant KIM en vooral Marjan Bosse, die toevallig tegelijk met mij met pensioen is gegaan, ben ik zeer dankbaar voor de gastvrijheid die zij telkens weer toonden.’
In januari 2018 sprak u de oratie ‘Moraliteit, beleid en weerbaarheid’ uit. Hierin stelt u dat ‘afschrikking verondersteld wordt geloofwaardiger te zijn als we zelf geloven in de waarden die we willen verdedigen’. In de zeven jaar die volgden is die geloofwaardigheid op de proef gesteld, goeddeels door een polariserende samenleving. We hebben die afschrikking door ‘geloof’ in de eigen waarden zien zegevieren tijdens de Russische inval in Oekraïne. Hoe kijkt u naar het aanvankelijke succes van de Oekraïners in hun verdediging van de eigen waarden en wat zegt dit volgens u over de Nederlandse weerbaarheid?
‘Er zijn onderzoeken die laten zien dat de weerbaarheid van de Oekraïense samenleving mede te danken is aan de democratische cultuur die sinds 2014 in het land is opgebouwd. Civiel verzet tegen de Russen begon in de vorm van demonstraties, graffiti, pamfletten en burgerlijke ongehoorzaamheid. Collaborateurs werden bestreden en zelfs vermoord. Netwerken van gewapende partizanen kwamen op die contact legden met reguliere Oekraïense strijdkrachten. Er is nog steeds een sterk gevoel van betrokkenheid in de samenleving. Dat heeft te maken met de geleidelijke decentralisering van macht die sinds 2014 is begonnen. Lokale bestuurders kregen meer bevoegdheden en burgers kregen meer inspraak. Vrijwilligers zijn op tal van manieren betrokken bij de oorlog, als medische hulpverleners, bij de aanvoer van materieel naar het front, of bij de steun aan ouderen, gehandicapten, vrouwen en kinderen. Mensrechtenactivisten documenteren oorlogsmisdaden en vrijwilligers ontwikkelen software en bouwen drones.’
Brinkel bij zijn oratie in 2018 met KVMO-voorzitter Marc de Natris (l) en curator van de KVMO-leerstoel Niels Woudstra (r)
‘Weerbaarheid – in het Engels resilience - maakt gelukkig tegenwoordig onderdeel uit van het defensiebeleid. Daarbij gaat het niet alleen om de bescherming van infrastructuur en logistiek. Dat zou je technische weerbaarheid kunnen noemen: het vermogen van een systeem om schokken op te vangen en zich te herstellen na een aanval. Het gaat ook om weerbaarheid in geestelijke zin. Bij alle discussies over total defence moeten we niet vergeten dat het bijzonder moeilijk is om een land onder controle te krijgen waarin de machten juist gespreid zijn, van onderop zijn opgebouwd, en niet gecentraliseerd. Denk aan het optreden van de Poolse vrije vakbond Solidarnosc tegen het communistische bewind in de jaren tachtig. Vanuit het verzet van Solidarnosc werd een cruciale bijdrage geleverd aan de democratisering van Polen in 1989 en vervolgens de val van de Muur. Dat is wat weerbaarheid kan bereiken.’
Zeven jaar geleden zei u ‘Als we er zelf niet meer in geloven, kunnen we dan nog wel de morele kracht opbrengen om de lasten van onze eigen verdediging te dragen? Durven we militairen op pad te sturen als we er niet ten volle van overtuigd zijn dat zij hun leven inzetten voor de goede zaak? Begint weerbaarheid dan ook in het toepassen van waarden in het eigen beleid?’ Wat kunt u na zeven jaar zeggen over de uitkomst van dit discours? Zijn we er als maatschappij dusdanig op vooruit gegaan dat we antwoord durven te geven op deze vragen? En zo ja, is deze positief?
‘Ik moet op de eerste plaats denken aan het verhaal van mijn vader. Hij was twaalf toen de Nazi’s ons land binnenvielen. Hij vertelde hoe kwaad iedereen was dat ons land, dat verder niemand bedreigde, werd overgelopen door vreemde militairen. Kwaad, omdat wij onze eigen krijgsmacht al die jaren daarvoor zo verwaarloosd hadden. Maar ook gemotiveerd om die nieuwe Duitse machthebbers niet, nooit, te erkennen. Dat gevoel van verontwaardiging over Rusland nu is sterker geworden. Net als het gevoel dat we een voldoende sterke krijgsmacht moeten hebben. Er is draagvlak voor een sterke krijgsmacht en een Europa dat militair meer voorstelt. Daar ben ik blij mee.’
‘In een aantal opzichten is het minder geworden. We zijn er minder van overtuigd dat onze democratie en rechtsstaat tot de beste in de wereld behoren. Of het wordt niet gewaardeerd als je dat met zoveel woorden zegt. De waarden die wij hier overeind proberen te houden zijn niet westers, of Nederlands. Ze zijn niet van ons. Ze zijn universeel, van en voor iedereen. Ik mis de ambitie om dat internationaal uit te dragen. Het buitenlands beleid was erg afwachtend de afgelopen jaren. In een actief mensenrechtenbeleid, in ontwikkelingssamenwerking dat weer voldoet aan de internationaal afgesproken norm van 0,7% BNP. In een gebrek aan soft power. En in concentratie op defensie, in de zin van verdediging, afwachten wat de anderen doen. Het beleid is de afgelopen jaren sterk reactief geweest. Dat mag best wel wat initiatiefrijker. Ook Nederland kan, in samenwerking met de bondgenoten in Europa en in de NAVO, werken aan een veiliger wereld om ons heen.’
‘Ik krijg nu meer tijd voor andere dingen, zoals op de eerste plaats mijn familie, maar ook mijn oude liefdes het CDA en mijn geloof’
Na een uitermate boeiende periode bent u gestopt met uw columns voor het Marineblad en het bekleden van de KVMO-leerstoel. Wat ligt er voor u in het verschiet en is de pen nu werkelijk neergelegd?
‘In ieder geval ga ik door met de begeleiding van drie promovendi. In de afgelopen jaren heb ik de eer gehad om Theo van den Doel, die onderzoek deed naar het veteranenbeleid, te begeleiden met zijn promotieonderzoek. Het was een uitgebreide en originele inventarisatie van het beleid van de regering met betrekking tot haar militairen c.q. ex-militairen. Theo ging uit van de plicht van de overheid om voor hen op te blijven komen. Dat is nog steeds een actueel thema.’
‘Dan begeleid ik majoor Daan van den Wollenberg. Hij is bijna klaar met onderzoek naar de rol van moraliteit in het narratief van ontologische veiligheid. Dat laatste is een moeilijk woord. Om het maar even heel simpel en modern uit te drukken: het gevoel van bestaanszekerheid van staten. Hij doet dat aan de hand van de narratieven van de Belgische en Nederlandse regeringen naar aanleiding van de bomaanslagen in Zaventem en Maalbeek en het neerhalen van vlucht MH 17.’
‘Karishma Chafekar doet promotieonderzoek naar de officiers-eed. Met name het dilemma dat daarin vervat is tussen trouw aan de grondwet enerzijds en aan de politieke leiding anderzijds. Aanleiding was min of meer de bestorming van het Capitool vier jaar geleden op instigatie van de huidige Amerikaans president Trump. Karishma kijkt met name naar de reactie daarop van Mark Milley, voormalig voorzitter van de Joint Chiefs of Staff, die zei dat trouw aan de grondwet boven gehoorzaamheid aan Trump ging/gaat, als de laatste een opdracht geeft die in strijd is met de eerste.’
‘Linde Jansen, ten slotte, doet onderzoek naar de opvattingen van China over de onschendbaarheid van haar soevereiniteit in cyberspace. Wij kunnen in het Westen wel denken dat we China op dezelfde basisuitgangspunten kunnen aanspreken, maar dat hoeft alleen helemaal niet zo te zijn. Daarom vergelijkt Linde het Chinese politieke, historische en militaire discours over territoriale soevereiniteit met dat van het Westen. We zouden daar nog wel eens veel meer mee te maken kunnen krijgen. Deze onderzoeken zijn zeer de moeite waard en ik wil hen samen met collega’s uit Leiden en Breda graag blijven begeleiden.’
‘Ten slotte: ik krijg nu meer tijd voor andere dingen, zoals op de eerste plaats mijn familie, maar ook mijn oude liefdes het CDA en mijn geloof. Daar zal ik zeker de pen voor blijven voeren. Onlangs was het Pinksteren, de dag waarop het christendom viert dat Gods Geest over de apostelen neerdaalde en waarop zij leerden een taal te spreken die door iedereen verstaanbaar was, waar hij of zij ook vandaan kwam. De nieuwe Paus Leo XIV zei daarover dat verschillen daardoor niet langer meer reden zijn voor verdeeldheid en conflict maar dat er een gemeenschappelijke basis is waar wij ons allen door kunnen laten inspireren. Die Geest breekt grenzen af en muren van onverschilligheid en haat. Voor mij is de inzet voor internationaal recht, vrede, democratie en mensenrechten de moderne uiting van die inspiratie.’

