De discussie rond lijfstraffen bij de Koninklijke Marine
Het satirische weekblad 'Uilenspiegel' uitte veel kritiek op viceadmiraal G. Fabius, die het gebruik van slagen in de Tweede Kamer uitvoerig verdedigde (bron: Uilenspiegel, 19 december 1874)

‘Zij verbittert en verhardt en wekt op tot onverschilligheid, nijd en wraak’

De discussie rond lijfstraffen bij de Koninklijke Marine in de negentiende eeuw

Een geseling aan boord van het in Vlissingen afgemeerde wachtschip Zr.Ms. de Adder – de rammonitor die in 1883 aan de basis lag van de oprichting van de KVMO – leidde in juli 1876 tot grote verontwaardiging in de Nederlandse samenleving. Enkele werklieden aan de wal scholden de commandant van het marineschip uit en vele dagbladen schreven geschokt over de gebeurtenis.[i] Het incident bij de Adder zou niet op zichzelf staan.[ii] Toch was deze straf volgens de toenmalige geldende militaire wetgeving zeker niet uitzonderlijk. De ‘kreten van smart en woede’ van de schepeling confronteerden Nederlandse burgers met het feit dat lijfstraffen bij de Koninklijke Marine nog altijd waren toegestaan.[iii] Dit stond in groot contrast tot de burgerstrafwetgeving, waar de laatste lijfstraffen in 1854 waren afgeschaft.[iv] De kwestie werd onderwerp van discussie in brochures, dagbladen en Kamerdebatten. Omdat oproeren tijdens strafopleggingen lastig te achterhalen zijn en in bronnen slechts sporadisch ter sprake kwamen, bieden deze publicaties en Kamerdebatten inzicht in de vraag hoe er binnen en buiten de marine over lijfstraffen werd gedacht in de negentiende eeuw.[v] De vraag is of de publieke opinie het ministerie van Marine heeft beïnvloed in de uiteindelijke afschaffing van lijfstraffen in 1879.

 

Om goed te functioneren moesten zeestrijdkrachten kunnen vertrouwen op gedisciplineerde bemanningen. Het leven aan boord van oorlogsschepen was doordrongen van dit besef. Waar de handhaving van discipline en tucht in de periode voor 1800 veelal aan het inzicht van individuele kapiteins werd overgelaten, kwam dit gedurende de negentiende eeuw steeds meer in handen van een gecentraliseerd ministerie van Marine. Sociale hiërarchie, dagelijkse structuur, exercities en taakomschrijvingen moesten allemaal bijdragen aan een efficiënte en geordende organisatie.[vi] Discipline behelsde tevens het nemen van strafmaatregelen wanneer bemanningsleden niet gehoorzaam waren. Dit was echter alleen nodig ‘when good discipline broke down.’[vii]

Hoe die maatregelen eruit moesten zien was in de negentiende eeuw een onderwerp van discussie binnen- en buiten de landsgrenzen. Bij diverse buitenlandse marines gaf druk van buitenaf aanleiding om strafstelsels te hervormen. In Frankrijk nam een minister zonder militaire achtergrond in 1848 het besluit tot een afschaffing van lijfstraffen.[viii] In de Verenigde Staten kwam een afschaffing van slagen in 1850 voort uit het voorstel van een democratisch Congreslid. Zijn propositie was tekenend voor een samenleving waarin lijfstraffen voor vrije burgers – waaronder matrozen – ter discussie kwam te staan.[ix] De Britse Royal Navy besloot door toenemende externe druk schoorvoetend inperkingen in te voeren waardoor slagen voor volwassen matrozen in 1879 grotendeels verdwenen waren. Een volledige afschaffing van lijfstraffen volgde pas in de twintigste eeuw.[x]

Ook in Nederland zouden er in de negentiende eeuw veranderingen plaatsvinden. In 1854 verdwenen kielhalen en van de ra vallen;[xi] in 1879 alle overgebleven lijfstraffen door ministers van Marine W.F. van Erp Taalman Kip (r. 1874-1877, 1879-1883) en jhr. H.O. Wichers (1877-1879). Deze uitkomst stond echter niet op voorhand vast. Zowel binnen als buiten de marine stond de kwestie ter discussie. In de tweede helft van de negentiende eeuw groeide het debat in de publieke ruimte. Parlementsleden, krantenredacties, maar ook marineofficieren probeerden het publiek te overtuigen van hun standpunt. In dit artikel staan de vragen centraal hoe dit debat plaatsvond en wat de invloed ervan was op de besluitvorming binnen het ministerie van Marine.

Het strafstelsel

Gedurende de negentiende eeuw waren het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te water voor misdrijvenen het Reglement van krijgstucht of discipline voor het krijgsvolk te water voor disciplinaire overtredingen van kracht.[xii] De wetboeken schreven voor de laagste rangen veelal lijfstraffen voor, terwijl officieren en onderofficieren vooral vormen van arrest kregen. Deze lijfstraffen bestonden bij criminele overtredingen uit kielhalen en van de ra vallen, gepaard met laarzen; een vorm van slagen. Slagen met handdaggen was de belangrijkste disciplinaire lijfstraf. Daarnaast pasten commandanten in de praktijk de onwettige straf kromsluitingen toe, waarbij een matroos in gekromde houding werd vastgezet.[xiii]

'De marine vond lijfstraffen nog onmisbaar’

Dat lijfstraffen een belangrijk onderdeel waren van het militaire strafstelsel was aanvankelijk niet uitzonderlijk. In de burgerstrafwetgeving vond er vanaf eind achttiende eeuw tot en met 1854 een geleidelijke overgang plaats naar een systeem met gevangenisstraffen.[xiv] Bij de landmacht stonden lijfstraffen al aan het begin van de negentiende eeuw ter discussie. Dit had mogelijk te maken met de invoering van de dienstplicht. Toch zouden lijfstraffen – buiten een tijdelijke opschorting tijdens de Belgische Opstand (1830-1832) – net als bij de marine pas in 1879 worden afgeschaft. In de praktijk kwamen lijfstraffen tegen het einde van die periode alleen nog voor bij een aparte groep soldaten in een ‘klasse van discipline.’[xv]

Van de ra vallen

Een schepeling ondergaat de straf ‘van de ra vallen’ aan boord van het links afgebeelde schip. Hierbij werd bestrafte één tot drie keer van de ra in zee gestort (bron: collectie NIMH)

De marine vond lijfstraffen nog onmisbaar. Enige uitzondering hierop waren kielhalen en van de ra vallen, die beschouwd werden als ouderwets, nadelig voor de werving en ondoelmatig door de verschillende uitwerking in de praktijk; kielhalen pakte in het koude najaar heel anders uit dan in de zomer.[xvi] Dit zorgde er mogelijk voor dat kielhalen in praktijk langzaam verdween. Wanneer kielhalen voor het laatst voorkwam, is niet geheel duidelijk. In 1846 onderging matroos 2e klasse Jacob van Werven de straf in ieder geval nog voor het aangrijpen van een meerdere nadat hij zich verzette tegen een disciplinaire lijfstraf.[xvii] Van de ra vallen kwam daarentegen nog veelvuldig voor.[xviii] Toch kon minister van Marine J. Enslie (r. 1851-1854) beide straffen in 1854 vrijwel probleemloos vervangen door kruiwagenstraf – een vorm van militaire detentie met dwangarbeid. Over de verdere inperking van lijfstraffen ontstond intern wel discussie. De minister nam uiteindelijk maatregelen om lijfstraffen in te perken door het aantal slagen verder te limiteren, nieuwe voorschriften voor geselinstrumenten op te stellen, een lichtere lijfstraf voor jongens onder de zestien jaar in te voeren en een vast corps van matrozen op te richten, waarbij de leden niet meer met lijfstraffen bestraft mochten worden.[xix] Op deze manier probeerde de minister lijfstraffen niet alleen terug te brengen en te verzachten, maar eveneens meer uniformiteit te creëren. 

Het debat over lijfstraffen bij de marine

Terwijl het ministerie van Marine de eerste hervormingen in het strafstelsel doorvoerde, was er in het publieke debat nog nauwelijks aandacht voor de kwestie. Hier en daar verscheen er vanaf de jaren veertig een publicatie, maar deze waren vooral gericht op het behoud van lijfstraffen. In de jaren zestig groeide onder marineofficieren ondertussen wel het idee dat het voortbestaan van lijfstraffen problematisch kon zijn voor de marine. Minister van Marine W.J.C. Huyssen van Kattendijke (r. 1861-1866✝) besloot zijn ambtgenoot bij Justitie te benaderen voor een herziening van het strafstelsel. Het aftreden van het kabinet en zijn plotselinge overlijden zorgden echter dat ontwikkelingen stil kwamen te liggen.[xx] Ondertussen was er nog altijd weinig beroering in de Tweede Kamer of media waar te nemen over de kwestie. Onduidelijk blijft hoe er aan de wal werd gereageerd tijdens strafopleggingen. Enige uitzondering vormde de discussie van straffen voor zeemiliciens. Bij de invoering van de zeemilitie (dienstplicht bij de marine) in 1861 werd namelijk bepaald dat zij disciplinair getuchtigd zouden worden alsof zij tot het vaste corps matrozen behoorden. Als deze groep zonder lijfstraffen te tuchtigen was, waarom zou dit dan niet voor vrijwilligers kunnen gelden? [xxi]

Tabel Vlijm MB8 23Vervolgens brak een periode aan met weinig ontwikkelingen, zowel binnen als buiten de marine. Pas vanaf de jaren zeventig nam de publieke belangstelling toe. Dit kwam deels door de groei en verbreding van het publieke debat na het verdwijnen van een belasting op kranten.[xxii] De voornaamste reden was het optreden van minister van Marine Taalman Kip in 1874. Hij nam maatregelen om het aantal lijfstraffen verder in te perken en sprak het voornemen uit om tot een gehele afschaffing over te gaan. De minister noemde de afkeer van lijfstraffen onder de Nederlandse bevolking als een van de redenen voor de afschaffing.[xxiii]Wellicht hebben scheldpartijen vanaf de wal hiertoe bijgedragen. In brochures, kranten en Kamerdebatten kwam het onderwerp namelijk nog altijd sporadisch naar voren. De meeste dagbladen schreven naar aanleiding van Kamerdebatten of een specifiek incident zoals aan boord van de Adder in 1876. Het publieke debat lijkt vooral de politieke besluitvorming te hebben gevolgd en dit niet echt te hebben aangewakkerd. De zichtbare steun voor een mogelijke afschaffing zal de minister in zijn besluit hebben gesterkt, maar publicaties vormden niet de aanleiding tot veranderingen zoals dit bijvoorbeeld in de Verenigde Staten het geval was. Eveneens was er geen sprake van gecoördineerd verzet.[xxiv]

Marineofficieren kwamen zowel in het interne als externe debat aan het woord. Zij mengden zich veelal anoniem of onder pseudoniem in het publieke debat.[xxv] Hoewel de meeste officieren zich daar presenteerden als tegenstanders van lijfstraffen, brachten zij in werkelijkheid allerlei bezwaren naar voren tegen een afschaffing. Het betrof daardoor vooral een strategie om het afschaffingsproces in te perken of geheel tegen te houden. Zelfs na de afschaffing van 1879 probeerden enkelen de herziening terug te draaien. Deze officieren waren echter niet representatief voor het gehele korps. Hoewel progressieve officieren zich minder lieten horen in het publieke debat, waren er toch een aantal die kritisch over lijfstraffen schreven.[xxvi] Binnen de marine kreeg die progressievere groep de overhand. De grootste aanwijzing hiertoe is het feit dat meerdere ministers, tevens zelf oud-marineofficier, initiatieven namen tot wetswijzigingen voordat hiertoe werd opgeroepen in het publieke debat. Minister Taalman Kip werd bij zijn inspanning ondersteund door meerdere commandanten binnen de marine. Er was daardoor geen sprake van een tweedeling tussen Den Haag en actief dienende marineofficieren.[xxvii] Hoe deze groepen zich precies tot elkaar verhielden is niet te achterhalen. De meerderheid bemoeide zich niet met de publieke discussie en de politieke besluitvorming. 

Vooral liberale krantenredacties en Kamerleden keerden zich tegen het strafstelsel. Slechts enkele burgers raakten onder eigen naam betrokken bij het vraagstuk. Allen waren tegen lijfstraffen. Mogelijk lag het buiten hun interessegebied, maar wellicht heeft ook de houding van vooral conservatieve marineofficieren hen afgeschrikt. Burgers en krantenredacties die zich uitlieten werden neergezet als buitenstaanders die weinig tot geen kennis hadden van het leven aan boord van oorlogsschepen. Kamerlid viceadmiraal jhr. F. de Casembroot hekelde betrokkenheid van buitenaf: ‘het is eene zaak van de militaire maatschappij, en hoe minder men de burgerij daarin mengt, des te beter.’[xxviii] Matrozen, die de lijfstraffen ondergingen, namen vrijwel niet deel aan het debat. Zij hebben nauwelijks bronnen nagelaten.

Huyssen van Kattendijke

Taalman Kip

Ministers van Marine en oud-marineofficieren W.J.C. Huyssen van Kattendijke (r.) en W.F. van Erp Taalman kip (l.) (bron: Wikipedia)

Lijfstraffen: een probleem of een oplossing?

Het debat spitste zich toe op de vraag of lijfstraffen als een oplossing of probleem bezien konden worden. Tegenstanders van lijfstraffen probeerden vooral de problematische kanten van het strafstelsel aan te tonen. De Nederlandse marine was een uitzondering geworden die slecht afstak bij de burgersamenleving en buitenlandse marines: ‘voor de ergste misdadigers is de lijfstraf afgeschaft; lijfstraffen zijn verboden als middelen van tucht in onze strafgevangenissen, voor kinderen in onze scholen; in het leger worden zij slechts bij uitzondering toegepast voor soldaten die wegens ederlijk gedrag zijn gedegradeerd in eene strafkompagnie. En men zou ze als regel willen behouden voor ons scheepsvolk!’[xxix] Lijfstraffen veroorzaakten volgens tegenstanders verbittering en verzet onder de lagere rangen. Het insubordinaire gedrag van de eerdergenoemde matroos Van Werven zou niet op zichzelf hebben gestaan. Voor minister Huyssen van Kattendijke was deze weerstand tegen disciplinaire lijfstraffen reden om in de jaren zestig een poging tot een afschaffing te doen. Deze argumentatie kwam nadien ook terug in de publieke opinie. Slagen schrikten potentieel scheepsvolk uit de middenklasse af of resulteerden in een vertrek van bevaren matrozen na het uitdienen van een dienstverband. De marine wilde juist deze beter opgeleide mannen aantrekken vanwege de opkomst van stoomschepen waarvoor meer technologische kennis nodig was. Door het strafstelsel aan te laten sluiten op de burgersamenleving zou het kwalitatieve personeelstekort opgelost worden.[xxx] Voor minister Taalman Kip was dit probleem een van de belangrijkste redenen om tot een afschaffing over te gaan.[xxxi]

Een ander probleem was het gebrek aan uniformiteit. Sommige marineofficieren waren uit eigen overtuiging overgegaan op disciplinehandhaving zonder slagen. Als alternatief grepen zij naar kromsluitingen.[xxxii]Straffen waren hierdoor te afhankelijk van een commandant. Dit strookte niet met een marineorganisatie die in de negentiende eeuw centraliseerde en uniformiteit nastreefde. Marinepersoneel moest – met kleine verschillen daargelaten – kunnen rekenen op een gelijke behandeling zodat er geen onvrede zou ontstaan. Voorstanders van lijfstraffen ontkenden deze problematiek. Zo bagatelliseerden zij de personeelstekorten. Daarnaast zagen zij lijfstraffen niet als oorzaak, maar juist als een oplossing voor insubordinatie en een gebrek aan discipline. Laarzen en handdaggen voorkwamen verdere overtredingen en konden daardoor niet verdwijnen. Deze conservatieve groep probeerde kritiek op het bestaande systeem te weerleggen en het probleem te herdefiniëren. Niet de lijfstraffen waren het probleem, maar de toepassing ervan door sommige commandanten. Het departement moest strikter toezien op die uitzonderingen en zeker niet tot een afschaffing overgaan: ‘zie streng toe hoe dit bevel gevoerd wordt, en wanneer gij denkt dat zulk een kommandant zich door drift, door gebrek aan tact, aan andere misbruiken schuldig maakt, brandmerk hem dan en zorg dat hij nimmer weder een kommandement krijgt.’[xxxiii]

Handdaggen

Een handdag bestaande uit drie strengs. Toen de marine in 1854 een aantal lijfstraffen verzachtte, was de dikte van dit soort geselinstrumenten een van de belangrijkste discussiepunten (bron: collectie Maritiem Museum Rotterdam)

De voorstanders van lijfstraffen erkenden het verschil met de burgermaatschappij, maar vonden dit geenszins problematisch. Zij rechtvaardigden juist het gebruik van lijfstraffen door voortdurend de marine en haar personeel buiten de samenleving te plaatsen.[xxxiv] De marinesamenleving was onvergelijkbaar met het leven aan de wal. Zelfs een vergelijking met koopvaardijschepen ging niet op vanwege de militaire discipline die op oorlogsschepen heerste. Op volle zee was het daarbij vanuit praktisch oogpunt moeizaam om opsluitingen toe te passen. Elke man was immers onmisbaar voor de werkzaamheden aan boord. Opsluitingen vroegen te veel ruimte en tijd. De conservatieve critici benadrukten voortdurend dat een afschaffing disciplineverval zou veroorzaken en tot gevaarlijke situaties zou leiden. Zij duidden de hervormingsplannen vooral als ‘eene zekere mode - laat ons eens zeggen, eene te ver getrokken philantropie des tijds.’[xxxv]            

De rol van marineofficieren

Zowel voor- als tegenstanders schilderden marineofficieren en matrozen op een bepaalde manier af om zo hun argumentatie kracht bij te zetten. Hierbij werden vergelijkbare tactieken toegepast als in het buitenland.[xxxvi] Voorstanders van lijfstraffen beschreven marineofficieren als welwillende en menslievende bevelhebbers, die zelden en met zeer veel tegenzin lijfstraffen toepasten. Misbruik onder commandanten kwam voor, maar was uitzonderlijk. Deze aanpak is begrijpelijk omdat het merendeel van de voorstanders in het publieke debat uit marineofficieren bestond. Zo verklaarde een van hen 'dat het toepassen van lijfstraffen steeds door ons beschouwd is als de onaangenaamste pligt, die ons kan worden opgelegd, als een der zwaarste offers, die wij aan onze betrekking en stand moesten brengen.’[xxxvii]

'Kamerleden wezen vooral naar de verouderde wetgeving als oorzaak van problemen en hielden zo de schuldvraag weg bij marineofficieren’

Een dergelijke uitspraak stond in groot contrast met de visie van sommige tegenstanders van lijfstraffen. Zij zetten marineofficieren neer als tirannieke leiders, die hun ondergeschikten uit willekeur mishandelden. Anderen wezen op een gebrek aan leiderschapskwaliteiten als lijfstraffen nodig waren om gezag te handhaven. Deze harde woorden werden niet door elke tegenstander toegepast. Evenals Kamerleden die een afschaffing aanhingen, gingen zij diplomatieker te werk. Zij wezen vooral naar de verouderde wetgeving als oorzaak van problemen en hielden zo de schuldvraag weg bij marineofficieren. Commandanten deden wat ze konden met de middelen die voor handen waren. Deze bedachtzame aanpak was nodig om zo de steun van het korps te behouden. 

De matroos: ‘een onverbeterlijk sujet?’

Een centrale vraag binnen het debat was welk doel straffen hadden. Moesten deze de individuele matroos verbeteren door zijn morele besef en eergevoel aan te spreken, of was het vooral de bedoeling verdere overtredingen te voorkomen door op angst in te spelen? Daarbij was het idee dat een zekere mate van beschaafdheid nodig was voordat straffen op basis van eergevoel effect konden hebben. Voorstanders van lijfstraffen vonden – hoewel er verbetering te zien was – dat matrozen nog altijd te onbeschaafd waren. Tegenstanders meenden daarentegen dat de matrozenstand intussen zodanig was vooruitgaan, dat nieuwe straffen mogelijk waren. Zij stelden zelfs dat lijfstraffen verdere ontwikkeling tegenwerkten: ‘men kan er het eergevoel wel uit-, maar niet in ranselen.’[xxxviii] Matrozen die niet goed reageerden op nieuwe straffen kon de marine beter ontslaan. 

Het nieuws van den dag 21 juli 1876

Terwijl het incident op Zr.Ms. Adder tot onrust leidde in de Nederlandse samenleving, kon het Ministerie van Marine iedereen geruststellen met de aankondiging van een nieuw strafstelsel (bron: Delpher | Het nieuws van de dag, 21 juli 1876)

Naast beschaafdheid kozen deelnemers aan het debat er naar gelang hun standpunt voor matrozen als dader, slachtoffer of medestanders te omschrijven. Kamerlid viceadmiraal G. Fabius beweerde dat achttien oud-matrozen hem via verjaardagskaarten hadden bedankt voor zijn strenge bewind met lijfstraffen.[xxxix]Media reageerden cynisch op deze uitspraak in tekst en beeld. Bovenal schilderden conservatieven matrozen af als onbeschaafde lieden, die lijfstraffen door eigen handelingen hadden veroorzaakt. Lijfstraffen golden immers alleen nog 'voor hen, die in de laagste klassen gebleven of teruggeplaatst zijn, dus voor de minst geschikte of die zich aan herhaald wangedrag schuldig maken.'[xl] Matrozen zouden opsluitingen misbruiken om onder werk uit te komen. Een negatief mensbeeld had de overhand.[xli]

Tegenstanders van lijfstraffen kozen er vooral voor matrozen als slachtoffers te beschrijven. Om de afschaffing van lijfstraffen kracht bij te zetten, plaatsten zij de matroos terug in de maatschappij. Geen enkele burger – en zeker niet een verdediger van het vaderland – mocht een dergelijke behandeling krijgen. Om dit te benadrukken beschreven zij strafopleggingen op uitgebreide wijze, gepaard met veel emotie zodat de lezer sympathie zou krijgen voor de marinematroos en zich ermee zou identificeren.

‘Na vele, lange jaren klinkt mij zijn stem, eentonig, langzaam, uitgerekt tellende inde ooren. “Een-en-twintig"… klets. Na een duivelachtige pauze: "twee-en-twintig” ...klets. Nog even duidelijk als destijds zie ik de doodsbenauwde uitpuilende, hopelooze oogen van den delinquent, hoe hij dan rechts, dan links over den schouder zag naar den kant, vanwaar de slag moest komen; nog zie ik hem wringen en krommen, zich inkrimpen als een worm om die vreeselijke aanraking te ontgaan, die niet te ontgaan was; nog hoor ik die wanhopig smeekende stem: “Genade, kommandant! Genade!”[xlii]

Conclusie

Het debat over de afschaffing van lijfstraffen bereikte in de media en Tweede Kamer een hoogtepunt in de jaren zeventig van de negentiende eeuw. Vooral conservatieve marineofficieren keerden zich in dagbladen, brochures en Kamerdebatten tegen een afschaffing van slagen. Hervormingsgezinde liberale Kamerleden en krantenredacties kregen in het publieke debat echter geleidelijk de overhand. Onder andere het incident rond de Adder vormde aanleiding om hun ongenoegen over het strafstelsel kenbaar te maken. 

Terwijl conservatieve marineofficieren zich publiekelijk negatief uitlieten over een afschaffing, namen hun korpsgenoten binnen het instituut stappen om het strafstelsel te hervormen. In tegenstelling tot in het buitenland ging het ministerie niet schoorvoetend tot veranderingen over wegens externe druk, noch was de afschaffing geïnitieerd door een buitenstaander. Gedreven door onder andere insubordinatieproblemen en kwalitatieve personeelstekorten namen ministers zoals Huyssen van Kattendijke, Taalman Kip en Wichers – zelf oud-marineofficieren – stappen voor een afschaffing toen de aandacht voor de kwestie in het publieke debat nog fluctueerde. Het ministerie van Marine was op het moment van het incident bij de Adder al enige tijd bezig met een afschaffing van lijfstraffen. Tegenstanders van lijfstraffen in het publieke debat volgden vooral, in plaats van te leiden.  

 

Rozemarijn Vlijm is als promovendus verbonden aan de Universiteit Leiden en het Nederlands Instituut van Militaire Historie (NIMH). Zij werkt aan een promotieonderzoek over discipline bij de Nederlandse marine in de negentiende eeuw. De auteur bedankt dr. Anselm van der Peet en Eileen van der Burgh voor hun op- en aanmerkingen op een eerdere versie van dit artikel.

Noten

[i] Zie bijvoorbeeld ‘Binnenland’, Zierikzeesche courant (19 juli 1876) 2; ‘Humaniteit’, Leidsch dagblad (31 juli 1876) 1.

[ii] Officier van administratie 2e klasse J.C. de Vriese Iets over de toepassing der lijfstraffen bij onze zeemagt (Rotterdam 1873) 6-7.

[iii] ‘Middelburg, 17 Juli’, Middelburgsche courant (18 juli 1876) 1.

[iv] C.H. Brants, ‘Nederland en de afschaffing van de doodstraf’, Justitiële verkenningen 1 (2011) 31-47; C.L. ten 

Cate, Tot glorie der gerechtigheid. De geschiedenis van het brandmerken als lijfstraf in Nederland (Amsterdam 

1975); Sjoerd Faber, Strafrechtspleging en criminaliteit te Amsterdam 1680-1811 (Arnhem 1983).

[v] De analyse van dit debat is gebaseerd op een corpus bestaande uit ongeveer 260 krantenartikelen en brochures tussen 1842 en 1888, aangevuld met Kamerdebatten. Dit corpus kwam mede tot stand dankzij Delpher. Niet alle publicaties uit deze periode zijn gedigitaliseerd, maar desondanks biedt het corpus voldoende inzicht in het debat.  

[vi] Christopher McKee, Sober Men and True: Sailor Lives in the Royal Navy, 1900-1945 (Cambridge, MA 2002)

34–35; Oliver Clement Walton, Social history of the Royal Navy 1856-1900: corporation and community (diss. University of Exeter 2003) <http://ethos.bl.uk/OrderDetails.do?did=1&uin=uk.bl.ethos.400889> 215; Oliver Clement Walton, ‘New kinds of discipline: the royal navy in the second half of the

nineteenth century’, in: Helen Doe en Richard Harding ed., Naval leadership and management, 1650–1950

(Suffolk 2012) 143–156, aldaar 144; Thomas Malcomson, Order and disorder in the British Navy, 1795-1815. Control, resistance, flogging and hanging (Woodbridge 2016).

[vii] Walton, ‘New kinds of discipline’, 146.

[viii] Jean-Philippe Zanco, ‘Autour du Code de justice maritime (1858-1965). Une brève historie de la justice maritime’, Revue historique des armées (2008) 72-85.

[ix] Harold D. Langley, Social reform in the United States Navy, 1798-1862 (Urbana 1967) 131-206; Myra C. Glenn Campaigns against corporal punishment: prisoners, sailors, women, and children in antebellum America (Albany 1984); Myra C. Glenn, Jack Tar’s Story: The Autobiographies and Memoirs of Sailors in Antebellum America (Cambridge 2010) 112–143.

[x] Eugene L. Rasor, The problem of discipline in the mid 19th century Royal Navy (diss. University of Virginia, Virginia 1972); Eugene L. Rasor, Reform in the Royal Navy: a social history of the lower deck, 1850 to 1880

(Hamden, Conn.] 1976) 9-20, 51-61.

[xi] Bij kielhalen werd de bestrafte eén tot drie keer onder de kiel van het schip door getrokken. Bij van de ra vallen werd de bestrafte in zittende houding gebonden en vanaf de ra één tot drie keer in de zee gestort.

[xii] Handelingen Staten-Generaal 1814 12 juli 1814; Handelingen Staten-Generaal 1814-1815 13 juli 1814. Overigens werden in 1815 eveneens wetboeken voor de landmacht ingevoerd en kwam er een Hoog Militair Gerechtshof.

[xiii] Het was een zware straf omdat de polsen van de bestrafte ter hoogte van zijn enkels werden vastgezet. Wettelijk mochten bestraften alleen aan voeten óf handen gebonden worden en niet aan allebei zoals bij kromsluitingen gebeurde. Nationaal Archief, Den Haag (NL-HaNA) Ministerie van Marine, 1813-1900 (1934), nummer toegang 2.12.01, inv.nr. 2474, brief 18 oktober 1875 no. 49A. 

[xiv] Zie voor de afschaffing van de laatste lijfstraffen in de Nederlandse burgerstrafwetgeving Ten Cate, Tot glorie der gerechtigheid 172-173. Waarom landen overstapten van lijfstraffen op een gevangenissysteem is onderwerp geweest van vele studies. De belangrijkste conclusie is dat het ontstaan van verlichtingsideeën heeft bijgedragen, maar op zichzelf niet voldoende was om de omslag te verklaren. Hier zal nader op worden ingegaan in mijn proefschrift. De geïnteresseerde lezer kan ondertussen terecht bij Michel Foucault Discipline and punish: the birth of the prison (New York 1977); Pieter Spierenburg, The spectacle of suffering: executions and the evolution of repression: from a preindustrial metropolis to the European experience (Cambridge 1984). Herman Franke, Twee eeuwen gevangen: misdaad en straf in Nederland. (Utrecht 1990).

[xv] ‘Eene lijdensgeschiedenis’, Militair Rechterlijk Tijdschrift 2 (1906-1907) 146-270; E.G. de Wijs, ‘Een en ander uit de geschiedenis van het strafrecht en de strafrechtspleging bij de Nederlandsche zeemacht’, Verslagen Marine-Vereeniging (1907- 1908) 175-269, aldaar 248, 254.

[xvi] NL-HaNA, Marine/Verbaal 2.12.01, inv.nr. 2275, dossier 18 oktober 1853 no. 117; Kamerstuk Tweede Kamer 1853-1854 Kamerstuknummer LXII ondernummer 2-7.

[xvii] Matroos 2e klasse Jacob van Werven werd aan boord van Zr. Ms. Ajax te Paramaribo op 30 juni 1846 door een zeekrijgsraad veroordeeld tot ‘eenmaal kielhalen en om daarna te worden gelaarsd ter discretie van officieren commissarissen’ wegens het bij herhaling aangrijpen van zijn meerdere. Hij viel beide keren de officier van de wacht aan na het horen van een disciplinaire lijfstraf. NL-HaNA, Ministerie van Marine: Aanhangsel van het Marine Archief, nummer toegang 2.12.02, inv.nr. 145, dossier J. van Werven en J. Bruinsma; NL-HaNA Marine/Verbaal 2.12.01, inv.nr. 2240, brief 31 maart 1846 no. 33 over zijn eerste vergrijp. 

[xviii] Geregtelijke statistiek van het Koningrijk der Nederlanden 1854 (Den Haag 1854) xxi-xxiii, 415-443. In Nieuwediep waren krijgsraden al in 1854 overgegaan op laarzen met of zonder detentie. NB. Vonnissen van zeekrijgsraden in het buitenland en koloniale wateren zijn door het ontbreken van bronmateriaal nog niet achterhaald. 

[xix] Een aantal zeeofficieren brachten verschillende ideeën naar voren om lijfstraffen in te perken bij de commissie van Prins Hendrik in 1852. Zie hiervoor de bijlagen bij Algemeen verslag en beantwoording van vraagpunten omtrent het zeewezen van den Staat door de commissie onder het voorzitterschap van Z.K.H. Prins Hendrik der Nederlanden. Daartoe bij beschikking van 14 Februarij 1852, no. 57 door den minister van marine bij een geroepen (Den Haag 1852). Over de oprichting van het vaste corps zie Handelingen Tweede Kamer 1854-1855 8 december 1854 306; Kamerstuk Tweede Kamer 1853-1854

kamerstuknummer LXII ondernummer 5 Veranderingen in het bestraffen van Misdrijven door het Krijgsvolk te

Water gepleegd 588.

[xx] NL-HaNA, Ministerie van Justitie: Directie Wetgeving, Wettendossiers, nummer toegang 2.09.47, inv.nr. 63A/139, brief 11 november 1865 no. 114. Het ministerie van Oorlog dat door de minister van Justitie was aangeschreven om de militaire strafwetboeken voor de landmacht tegelijktijdig te hervormen, zette de werkzaamheden ondertussen wel voort. Ondanks meerdere pogingen in de jaren zestig strandden de wetsontwerpen vanwege verzet tegen partiële herzieningen in het parlement. 

[xxi] Kamerstuk Tweede Kamer 1860-1861 Kamerstuknummer LIV ondernummer 4, 817; Handelingen Tweede Kamer 28 juni 1861, 742; De schrijver [anoniem], Kijkjes in de marinehuishouding (1872) 26-27.

[xxii] Remieg Aerts, ‘De koningin geknecht, 1813-1869’, Huub Wijfjes en Frank Harbers eds. De krant. Een cultuurgeschiedenis (Amsterdam 2019) 87-119.

[xxiii] Kamerstuk Tweede kamer 1876-1877, Kamerstuknummer 204, ondernummer 3, 3-4.

[xxiv] Glenn, Campaigns against corporal punishment; Glenn, Jack Tar’s Story 112–143. Zulke bewegingen ontstonden in deze periode in Nederland wel voor allerlei andere maatschappelijke vraagstukken. Maartje Janse, De afschaffers: publieke opinie, organisatie en politiek in Nederland 1840-1880 (Amsterdam 2007).  

[xxv] Ben Schoenmaker heeft reeds verschillende brochures onderzocht. Zie Ben Schoenmaker, Burgerzin en soldatengeest: de relatie tussen volk, leger en vloot 1832-1914 (diss. Amsterdam 2009) 11–12, 16, 373-392 399-402, 406–407.

[xxvi] De bekendste zijn Schrijver [anoniem], Kijkjes in de marinehuishouding (1872) 25-28; L.C. Duhne, Een woord ten gunste van de afschaffing der lijfstraffen bij de Nederlandsche Marine (1875).

[xxvii] Taalman Kip had vlak na zijn aantreden contact gelegd met admiraal (en later minister) Wichers, F.A.A. Gregory, J.M.J. Brutel de La Riviere en schout-bij-nacht J. van Gogh en De Haas, en enkele jongere zeeofficieren over lijfstraffen en stelde in de Tweede Kamer dat zij allen tegen deze straffen waren. Zie Handelingen Tweede Kamer 17 oktober 1879, 167De brieven zelf zijn helaas niet bewaard gebleven. Daarnaast was de commissie die Taalman Kip ondersteunde bij de afschaffing van lijfstraffen mede opgemaakt uit zeeofficieren die kort tevoren nog bevel hadden gevoerd. De commissie bestond uit Brutel de La Riviere, Van Gogh, H.B. Kip (chef van de afdeling personeel) en kapitein-ter-zee H. van Goens (adjudant van prins Alexander), ondersteund door secretaris inspecteur-van-de-administratie Wolfson. NL-HaNA, Marine/Verbalen 2.12.01, inv.nr. 2482, brief 27 mei 1876 no. 3.

[xxviii] Handelingen Tweede Kamer 1879-1880 17 oktober 1879, 173.

[xxix] ‘Arnhem, 7 januarij’, Arnhemsche courant (8 januari 1875) 1-2.

[xxx] Er was geen sprake van een kwantitatief tekort. Nederlands Instituut voor militaire historie (NIMH), collectie Losse stukken, inv,nr. 888, ongepubliceerd manuscript van G.J.A. Raven, ‘Zorg dat er erbij komt! De marinewerving 1650-1950’, hfst. 4.

[xxxi] NL-HaNA, Marine/Verbalen, 2.12.01, inv.nr. 2509, brief 5 oktober 1878 no. 48.

[xxxii] Een voorbeeld hiervan is kapitein-ter-zee H. van Goens. Bestudering van het scheepsjournaal onder zijn bewind toont aan dat hij inderdaad geen slagen toepaste, maar nog wel veelvuldig gebruik maakte van kromsluitingen. Een straf die uiteindelijk door het ministerie eveneens als lijfstraf werd aangemerkt. Vergelijk Handelingen Tweede Kamer 16 december 1876 652 met NL-HaNA, Ministerie van Marine: Scheepsjournalen, nummer toegang 2.12.03, inv.nr. 2811, scheepsjournaal van de Prinses Maria.

[xxxiii] Kamerlid Nierstrasz, Handelingen Tweede Kamer 11 december 1874, 562.

[xxxiv] Schoenmaker, Burgerzin en soldatengeest 118, 301-315.

[xxxv] E. Kempe, De jongste marine-begrooting in de beide Kamers der Staten-Generaal (1885) 18.

[xxxvi] Glenn, Campaigns against corporal punishment, 94-96; Glenn, Jack Tar’s Story, 117-122; Rasor Reform in the Royal Navy, 51.

[xxxvii] W. ‘Losse invallen en opmerkingen met betrekking tot het strafregt bij de zeemagt’, in: Verhandelingen en berigten betrekkelijk het zeewezen, de zeevaartkunde, de hydrographie, de koloniën, en daarmede in verband staande wetenschappen (1852) 123–137, aldaar 130.

[xxxviii] Arnhem, 7 januarij’ 1.

[xxxix] Handelingen Tweede Kamer 16 december 1876, 650.

[xl] Antirevolutionair Kamerlid Otto van Wassenaer van Catwijck, Handelingen Tweede Kamer 17 oktober 1879, 173.

[xli] Ook dit is terug te zien in het buitenlandse debat. Reform in the Royal Navy 15.

[xlii] Nol, ‘Ingezonden stukken. Lijfstraffen bij de marine’, Het vaderland (14 juni 1875) 2.

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave